|
JAMPOTJE (Claartje en de draak)
|
||||||||||||||
|
|
‘Oei, oei, oei’, zei de koning zachtjes, ‘dit gaat helemaal niet goed’. Hij ijsbeerde heen en weer door de gang van het paleis. De voordeur ging open en er kwam een prins binnenstrompelen. Da's nou al de zevende prins die verslagen terugkomt, dacht de koning verdrietig. Dat hou’ je toch niet voor mogelijk! Ik dacht dat een prins mijn dochter wel zou kunnen redden uit de klauwen van die vreselijke draak. Maar tot nu toe heeft de draak al 7 prinsen verslagen. Ze zijn bijna op, de prinsen. Wat een puinhoop! De koning schudde zijn hoofd en slofte terug naar zijn kamer. De prins liep verder door de gang. Hij werd ondersteund door lakeien uit het paleis. Ze brachten hem naar de ziekenkamer. Daar lagen al zes prinsen. Ze waren er allemaal beroerd aan toe. De één had een gebroken been. Een ander had overal schaafwonden en een grote bult op zijn hoofd. Weer een ander had brandwonden. En ééntje was zo erg geschrokken, dat hij niet kon ophouden met bibberen. De prins die nu werd binnengebracht, had een heleboel deuken in zijn harnas. Zoveel, dat het met een blikopener open gemaakt moest worden, anders kon hij het niet uitdoen. Aan de andere kant van de gang was een wachtkamer. Daar zaten nog een paar prinsen te wachten. De koning was vanuit zijn kamer naar de wachtkamer gelopen en vroeg: ‘wie volgt?’ ‘Hij’ zei één van de wachtende prinsen en wees op een lange prins met rood haar. ‘Nietes’ riep de lange prins. ‘Ik ben nog lang niet aan de beurt. Ik ben net pas binnen. Hij daar, met die groene mantel, hij is aan de beurt’. ‘Eh, nou, tja …’ stotterde de prins met de groene mantel. ‘Het spijt me maar ik moet nodig weg. Ik heb beloofd dat ik boodschappen zou doen voor mijn oude tante. Ze is zo oud, dat ze zelf niet meer naar het dorp kan lopen.’ ‘En ik ga mee om hem te helpen dragen’ zei de prins die naast hem zat vlug. ‘Ik heb de boodschappenlijst gezien. Die is heel lang. Hij kan al die boodschappen nooit allemaal alleen dragen.’ De twee prinsen stonden op en renden naar de deur. ‘U laat ze toch niet gaan?’ vroeg een prins met een mooie zwarte cape om aan de koning. ‘Dat is niet eerlijk hoor. Zij moeten eerst proberen te prinses te redden. Ze zijn echt aan de beurt!’ Als de andere 2 prinsen weg zouden lopen, zou de prins met de zwarte cape de volgende zijn om naar de draak te gaan. Daar had hij helemaal geen zin in. Alle prinsen in de wachtkamer hadden de andere zeven prinsen terug zien komen. En elke keer werden de prinsen in de wachtkamer een beetje banger. Want de prinsen die terugkwamen zagen er vreselijk uit. Het liefst zouden alle prinsen in de wachtkamer naar huis gaan. Want eigenlijk waren ze helemaal niet zo dapper. Ze waren eigenlijk alleen maar gekomen voor het bruiloftsfeest. Want ze dachten dat de eerste, of anders toch zeker de tweede prins, de prinses wel zou redden. Die dappere prins zou dan met de prinses gaan trouwen. En dan zou de koning een heel groot bruiloftsfeest geven. Daar wilden ze wel naar toe. Een feest is altijd leuk! Maar vechten met een draak, daar hadden ze helemaal geen zin in. Echt niet! De koning keek naar de prinsen. De vier die nog in de wachtkamer zaten en de twee die al naar de deur gelopen waren. Dat wordt niks, dacht hij. Ze zien er uit alsof ze nog geen goudvis kunnen verslaan. Laat staan een vuurspugende draak. Hij zuchtte en zei: ‘gaan jullie maar naar huis. Ik moet eerst met de ministers overleggen wat we moeten doen, nu de draak zo sterk is dat hij al zeven prinsen heeft verslagen. Als we jullie nog nodig hebben, sturen we wel een sms-je’. De prinsen haalden opgelucht adem en sprongen overeind. ‘Natuurlijk sire’ zei er één. ‘Op ons kunt u altijd rekenen’. ‘Ja tuurlijk’ riepen de andere prinsen. Maar ze wisten niet hoe snel ze de wachtkamer uit moesten rennen … Wat nu, dacht de koning verdrietig. Ik kan mijn meisje toch niet daar boven op de berg laten zitten, bij die akelige draak. Er moet toch iemand zijn die de draak kan verslaan? Laat ik maar eens met mijn ministers gaan overleggen. Hij draaide zich om en liep de wachtkamer uit. Hij ging niet meteen naar het kantoor van de ministers maar eerst naar de tuin. Hij wilde even een eindje in de frisse lucht lopen. Misschien kreeg hij dan een goed idee. ‘Psst, meneer de sire’ hoorde hij, toen hij bij het tuinhekje aan het einde van de tuin was gekomen. ‘Wie is daar?’ vroeg de koning. ‘Ik’ klonk het. Een klein meisje stapte door het tuinhekje. ‘Dag meneer de sire’ zei ze en maakte een onhandige buiging. De koning fronste zijn wenkbrauwen en keek het meisje aan. ‘Wat kom je doen, kindje?’ vroeg hij. ‘Nou, meneer de sire’ zei het meisje, ik ... De koning viel haar in de rede: ‘Gewoon ‘sire’ is genoeg hoor’ zei hij. ‘Wat mij betreft mag je ook gewoon Pieter zeggen, want zo heet ik. Ik word soms zo moe van dat ‘sire-gedoe’. Maar ja het hoort bij het koning zijn, zeggen de ministers. Zeg dus maar sire. Meneer de sire, hoeft echt niet. Dat is teveel van het goede hoor’. ‘Oh, goed’ zei het meisje. ‘Ik heet trouwens Claartje en ik ben gekomen omdat ik u wilde vragen of ik met de draak mag gaan praten. Misschien kan ik de prinses wel bevrijden.’ ‘Jij?’ vroeg de koning. ‘Terwijl er al zeven prinsen door de draak verslagen zijn? Wat denk jij dan te kunnen doen?’ ‘Nou, gewoon’ zei Claartje. ‘Ik kan toch eens met de draak gaan práten. Al die prinsen beginnen maar meteen met hun zwaard te zwaaien. Als ik de draak was, zou ik ook kwaad worden als er elke keer van die dolle prinsen op me af zouden komen. Zeker als ze zouden proberen om me, zonder wat te zeggen, dood te steken.’ ‘Tja’ zei de koning. ‘Daar zit wat in. Zo heb ik het eigenlijk nog nooit bekeken. Goed Claartje, als jij wilt en durft, mag jij morgen met de draak gaan praten. Dan kun je proberen of je de prinses kunt redden.’ Claartje draaide zich om en ging weer door het hekje. ‘Dank u wel, meneer de ... oh pardon, gewoon sire’ zei ze nog, vanaf de andere kant van de heg. ‘'t Is wel goed hoor, kind’ zei de koning en hij liep weer door de tuin terug naar het paleis, naar zijn kamer. Voor ze naar huis ging, liep Claartje nog even naar de sloot om een paar kikkervisjes te vangen. Ze stopte ze, met een heleboel slootwater natuurlijk, in een leeg jampotje. Dat potje had ze altijd bij zich, omdat ze buiten vaak dingen vond die ze mee naar huis wilde nemen om te bewaren. Die visjes zet ik in de vijver, thuis, dacht ze. Dan kan ik goed zien hoe ze groot worden en in kikkers veranderen. Met het jampotje in haar hand, huppelde naar huis. Vanuit het raam van zijn kamer kon de koning de berg zien waar de draak met zijn kleine meisje zat. Drie dagen geleden was de draak aan komen vliegen. Hij had een rondje boven de paleistuin gevlogen. Daar was de prinses net een wandelingetje aan het maken samen met de dochter van de eerste minister. De draak was geland. Had de prinses gepakt en was met haar naar de berg gevlogen. ‘Zie maar dat je haar terugkrijgt’ had hij naar beneden geroepen en hij had een vreselijke vlam vuur uitgespuugd. De koning was wanhopig geweest, want hij hield veel van zijn dochtertje. En de koningin had een zenuwinzinking gekregen. Ze logeerde nu bij haar moeder om weer een beetje bij te komen. Gelukkig maar, dacht de koning, dat de draak mijn kleine meisje heeft opgesloten in het hutje van ouwe Krijn, de schaapherder. Die doet vaak boodschappen in het dorp dus er is genoeg te eten in het hutje. Toen de draak was komen aanvliegen, met het prinsesje in zijn klauwen, had Krijn nog geprobeerd haar te bevrijden. Maar het was hem niet gelukt. De draak had hem weggejaagd door grote vlammen vuur te spugen. Krijn had vlug zijn schapen uit de wei gehaald en naar de wei van boer Nelis gebracht. Daarna was hij als een speer naar het paleis gehold om de koning te vertellen, dat de draak de prinses in zijn hutje had opgesloten. En daarna was Krijn naar zijn zuster gegaan om te vragen of hij een paar nachtjes bij haar mocht slapen. Tot zijn hutje weer vrij was. De koning had meteen alle koningen van de buurlanden opgebeld. Die stuurden gelijk hun oudste zoons om de prinses te gaan redden. De dapperste prinsen kwamen het eerst. Die stonden te popelen om met de draak te vechten. Want iedereen wist dat de prins die de draak zou verslaan, later met de prinses zou mogen trouwen. Het was een hele mooie, lieve prinses. Met haar trouwen wilden ze allemaal wel! Maar goed, het was nog geen één prins gelukt de draak te verslaan. De arme prinses zat nog steeds gevangen in het hutje van ouwe Krijn. ‘Nu is het dus zover dat een klein meisje gaat proberen mijn dochter te redden’ mompelde de koning terwijl hij zijn pyjama aantrok. ‘De tijden veranderen wel. Zeven prinsen in de ziekenkamer. De andere zes bang naar huis. En een klein meisje dat morgen de berg op zal gaan ...’ De koning stapte in zijn bed en lag nog een hele tijd bezorgd wakker, voor hij eindelijk in slaap viel. De volgende ochtend, om zeven uur al, stond Claartje op. Ze was nog veel vroeger wakker geworden en had liggen nadenken wat ze allemaal mee wilde nemen. Waar zou ze nou een draak mee kunnen verslaan? Ze piekerde en piekerde. Maar ze wist het niet. Ze zuchtte eens diep. Toen pakte ze haar jampotje, deed er een paar dropjes in voor onderweg en stopte het potje in haar rugzak. Claartje liep naar het paleis. Deze keer ging ze netjes naar de hoofdingang. De wacht wilde haar niet binnenlaten toen ze zei dat ze de koning wilde spreken. ‘Nou, zeg dan maar tegen hem dat ik de prinses ben gaan redden’ zei Claartje. Ze stak haar tong uit tegen de wacht. ‘Tuurlijk’ lachte de wacht. ‘De draak zal wel heel erg schrikken als hij jou ziet. Toch zou ik goed oppassen met die tong. Die zou ik maar niet tegen de draak uitsteken. Want ìk kan wel tegen een grapje maar die draak daarboven vast niet’. Claartje hoorde het niet meer. Ze was al op weg naar de berg. Toen ze bij de berg was keek ze omhoog en zag de draak. Hij sliep nog. ‘t Is wel een hele grote dacht ze bezorgd. Maar het zal wel net zo zijn als met grote broers. Een grote mond maar eigenlijk best lief. Ze begon de berg te beklimmen en was al vlak bij de draak voordat hij wakker werd. De draak haalde diep adem om een verschrikkelijke vlam te blazen. Hij dacht dat er alweer een nieuwe prins aankwam, die hem wilde doodmaken. Toen zag hij opeens dat er geen prins voor hem stond, maar een klein meisje. Hij verslikte zich, want hij probeerde de vlam nog binnen te houden. Dat lukte nog net maar hij moest wel ontzettend hoesten. ‘Hier, neem een dropje’ zei Claartje en pakte het jampotje uit haar rugzak. Ze peuterde een dropje uit het potje. Er zaten er nog maar drie in, de vierde had ze onderweg al opgegeten. Twee dropjes zaten aan de bodem van het potje geplakt maar het derde dropje kon ze uit het potje schudden. Vlug gaf ze het aan de draak, die nog steeds heel hard hoestte. ‘Oh, dank je wel hoor’ zei de draak tussen twee hoestbuien door. Hij keek Claartje dankbaar aan. ‘Dit is de eerste keer dat iemand mij nou eens wat aanbiedt. Da's aardig van je.’ Voorzichtig pakte hij het dropje uit Claartjes hand. Hij deed dat net als een paard dat een suikerklontje pakt. Heel zachtjes, met zijn lippen. ‘Lekker’ zei hij en begon vergenoegd te sabbelen. ‘Vind je het gek dan, dat niemand je ooit iets aanbiedt’ zei Claartje. ‘Het enige wat jij doet is prinsessen stelen. En telkens als je dat gedaan hebt, moeten alle prinsen uit de buurt proberen haar weer te redden. Da's een heel gedoe hoor. Dat vinden de mensen niet leuk. En dan geven ze je natuurlijk nooit iets lekkers. Dat begrijp je toch wel?’ ‘Zou je denken?’ zei de draak verbaasd. ‘Dat heeft nou niemand me eens verteld. Ik steel prinsessen omdat in alle verhalen staat dat draken dat doen. Zo hoort het nou eenmaal. En ik vecht met prinsen want dat staat ook in alle verhalen.’ Hij krabde achter zijn oor en ging verder: ‘kijk, jij bent geen prinses dus jou hoef ik niet te stelen. En je bent ook geen prins. Dus met jou hoef ik ook niet te vechten. Je bent een gewoon meisje. Daarom kan ik met jou rustig praten, snap je?’ ‘Tja, dat klinkt logisch’ zei Claartje. ‘Zoiets dacht ik eigenlijk al. Daarom ben ik ook naar boven geklommen. De koning wilde alweer een nieuwe prins sturen. Maar die zou je toch meteen van de berg af blazen. En die arme prinses zou nog steeds niet vrij zijn.’ Ze keek de draak aan en vroeg: ‘wil je haar niet gewoon vrijlaten, om mij een plezier te doen?’ ‘Nee’ zei de draak. ‘Je bent een aardig meisje hoor, zeker weten. Maar ik kan de prinses niet zomaar vrij laten. Dan zou het een gekke boel worden. En dan zouden ook alle sprookjesverhalen opnieuw geschreven moeten worden. Nee, draken stelen prinsessen. En prinsen moeten de prinses dan weer bevrijden. Zo hoort het. Dan is iedereen blij!’ Tjeetje, dacht Claartje, dit wordt moeilijker dan ik dacht. Ik kan niet met die draak gaan vechten. Dat win ik nooit. Trouwens, ik heb niet eens een zwaard of zo bij me. Toch ga ik niet terug zonder de prinses. Dan lacht die wacht bij de paleisdeur me natuurlijk keihard uit, daar heb ik geen zin in. Nadenkend krabde ze op haar hoofd. ‘Zeg’ zei de draak. ‘Heb je nog meer van die dropjes? Mijn keel kriebelt nog een beetje.’ ‘Tuurlijk’ zei Claartje. Ze pakte het jampotje en probeerde de laatste twee dropjes er uit te schudden. ‘Hè gedver, ze zitten vastgekleefd’, mopperde ze. ‘Ja, weet je, ik had gisteren een paar kikkervisjes in mijn potje. Die zwemmen nu in de vijver. Ik heb het potje zeker niet goed droog gemaakt. Oh, het is niet vies hoor, alleen een beetje nat en kleverig.’ Ze probeerde haar hand in het potje te wurmen maar het lukte niet, de opening was te smal. ‘Laat mij eens proberen’ zei de draak. ‘Joh, jouw poten zijn toch helemaal veel te groot’ lachte Claartje. ‘Jij krijgt die dropjes er nooit uit’. ‘Oh, da’s een makkie’ lachte de Draak. . ‘Draken kunnen toveren’ zei hij opschepperig. ‘Dat weet je toch zeker wel.’ Hij gaf Claartje een knipoog, mompelde een toverspreuk en ... werd kleiner, stééds kleiner! Na een halve minuut was hij nog kleiner dan een muis. ‘Leg dat potje maar neer’ zei het kleine draakje. ‘Nu kan ik die dropjes er makkelijk uithalen.’ Claartje legde het potje op de grond en het draakje kroop er in. Hij was zo druk bezig met het losmaken van de vastgekleefde dropjes, dat hij niet zag dat Claartje de deksel van het potje gepakt had. ‘Ha, nou heb ik je’ riep Claartje triomfantelijk. Ze pakte het potje op en deed vlug de deksel er stevig op. Het draakje spuugde vuur. Maar omdat hij maar zo klein was, spuugde hij maar een heel klein vlammetje. Toen probeerde hij zichzelf weer groot te toveren. Maar omdat hij nu een klein draakje was, had hij ook nog maar een heel klein beetje toverkracht. Niet genoeg om hem weer te veranderen in een grote draak. Hij bleef piepklein. Claartje stopte het jampotje in haar rugzak en liep naar het hutje, waar de prinses gevangen zat. ‘Kom er maar uit, hoor’ riep ze. ‘De draak zit gevangen in mijn jampotje’. De deur van het hutje ging op een kiertje open. De prinses keek voorzichtig om het hoekje. ‘Echt waar?’ vroeg ze. ‘Erewoord’ zei Claartje. Ze pakte het jampotje met het draakje erin en liet het aan de prinses zien. De prinses kwam vlug het hutje uit en gaf Claartje een dikke kus van blijdschap. Samen huppelden ze de berg af. Ze gingen niet door de voordeur van het paleis maar door het tuinhekje (want dat was Claartje nou eenmaal zo gewend) en liepen naar de paleisdeur. De wacht sprong in de houding toen hij de prinses zag. ‘Wat was dat ook alweer, met die grapjes waar de draak niet tegen kon?’ vroeg Claartje. Ze stak de jampot met het draakje erin omhoog. De wacht krabde zich op zijn hoofd van verbazing. ‘Zo'n klein meisje, en ze vangt een draak’ mompelde hij. ‘Het moet niet gekker worden ...’. Hand in hand liepen de prinses en Claartje naar de kamer van de koning. Die maakte een rondedansje, zo blij was hij dat hij dochter weer zag. Hij belde snel zijn vrouw, om te vertellen dat de prinses gered was. En hij beloofde Claartje dat er een heel groot feest zou komen. Met Claartje als eregast! En de draak? Die zit in de dierentuin, Hij heeft het daar prima naar zijn zin. Hij was toch al moe van al dat prinsessen stelen en met prinsen vechten. In de dierentuin hoeft dat allemaal niet. Hij kan lekker de hele dag spannende verhalen vertellen aan alle andere dieren. En af en toe spuugt hij nog een beetje vuur. Maar da’s niet gevaarlijk, het zijn maar kleine vlammetjes.
|
|
||||||||||||
|
|
|
|
|
|||||||||||