Merel met
hoogtevrees.
‘Welterusten beer,’ zei Elise. Ze
draaide zich om en trok het dekbed hoog op. Helemaal tot aan haar neus.
Ze zuchtte diep. Zo lekker lag ze. ‘Slaap lekker, Elise’ antwoordde
beer. ‘Dank je w ..... hé BEER, je praat’ riep Elise. ‘Hoe kan dat nou?’
‘Dat moet je mij niet vragen, maar hem,’ zei beer. ‘Wie?’ vroeg Elise,
‘wie dan?’ ‘Nou,’ zei beer, ‘dat kleine ventje daar natuurlijk. Kijk
dan! Hij zit aan het voeteneind op het dekbed.’ Elise keek naar het
voeteneind van het bed. ‘Ik zie niks hoor,’ zei ze tegen beer. Maar
wacht! Opeens zag ze hem toch. Een héél klein mannetje. Hij zat op één
van de groene strepen van het dekbed. Zijn kleren waren precies dezelfde
kleur groen. Zijn gezichtje was ook groen. En nu Elise goed keek zag ze
dat zelfs zijn handjes en haren groen waren. ‘Hallo,’ zei het mannetje.
Hij liep over het dekbed naar haar toe. Toen hij op de rode streep van
het dekbed stapte werd hij ineens helemaal rood. Elise dacht even dat
hij verdwenen was. Ze knipperde met haar ogen en toen zag ze hem weer.
Hij was alleen niet groen meer maar rood!
‘Wie ben jij?’ vroeg ze. ‘En hoe komt het dat je steeds een andere kleur
krijgt?’ ‘Ik ben een regenboogkabouter,’ zei het ventje. ‘Dat zijn hele
bijzondere kabouters. Want regenboogkabouters kunnen van kleur
veranderen!’ ‘Echt waar? Elke kleur? Kun je echt elke kleur krijgen die
je maar wilt?’ vroeg Elise. ‘Jazeker,’ antwoordde het mannetje trots.
‘Kijk maar!’ Hij sprong naar één van de gele strepen op het dekbed. En
ja hoor, hij werd helemaal geel. ‘Mooi hoor!’ zei beer. Maar wat gebeurt
er als je op het randje van een gele en een blauwe streep gaat staan?’
vroeg beer nieuwsgierig. Elise keek naar beer. Ze was al bijna weer
vergeten dat beer kon praten, zo verbaasd was ze over de
regenboogkabouter. ‘Nou, dan word ik half geel en half blauw,
natuurlijk,’ lachte het ventje. Hij liep over het randje tussen een gele
en een blauwe ruit. Meteen kreeg hij twee kleuren. Het leek wel toverij!
‘Heb jij ook gemaakt dat beer kan praten?’ vroeg Elise. ‘En hoe heet je
eigenlijk? En waar kom je vandaan? En wat kom je doen? En blijf je de
hele nacht? En mag ik je aan mama laten zien? En ben je uit een
sprookje of ben je echt en ...’ ‘Ho, ho even stoppen’ zei de kabouter.
‘Dat zijn wel een heleboel vragen tegelijk. Als ik die allemaal moet
beantwoorden, is de nacht zo om. Ik zal je een paar dingen vertellen.
Maar heel snel, want we hebben weinig tijd. Ik heet Jonas en ik ben dus
een regenboogkabouter. Alle regenboogkabouters kunnen van kleur
veranderen. Echt, alle kleuren van de regenboog! Handig hè! Ik heb er
voor gezorgd dat jij beer kunt verstaan. Want hij kan natuurlijk
praten, maar jij hoort het niet. Dat is jammer. Als je hem wel kunt
horen, is dat toch veel gezelliger. Ik ben helemaal echt hoor. Ik kom
niet uit een sprookje! En het belangrijkste is dat ik hier ben gekomen
om jou te vragen of je ons wilt helpen.’ Helpen? Waarmee dan?’ vroeg
Elise. ‘Nou,’ zei Jonas. ‘In het bos waar ik woon hebben we een
probleem. Er woont een merelfamilie in een hoge eikenboom. Eén van de
kinderen van die familie, heeft hoogtevrees. Dat is heel zielig voor een
vogel. Een vogel met hoogtevrees kan natuurlijk nooit leren vliegen. De
merelkinderen zijn allang groot genoeg om het nest uit te gaan. Vier van
de vijf jonge merels zijn al uitgevlogen. Maar die vijfde, die met
hoogtevrees, die durft dus niet. Die zit maar in het nest met zijn
vleugels voor zijn ogen. Zijn ouders hebben van alles geprobeerd. Ze
hebben hem verteld hoe fijn het is om te vliegen. Ze hebben gezegd dat
ze hem zonder eten in het nest zullen laten zitten. Ze hebben zelfs
gedreigd dat ze hem uit het nest zullen gooien. Maar het helpt allemaal
niet. Die kleine merel is echt hartstikke bang. Hij durft gewoon niet.
Toch zal hij binnenkort wel moeten. Hij wordt zo groot, dat hij te zwaar
wordt. Zijn moeder is bang dat de tak waarop het nest gebouwd is zal
breken. Als dat gebeurt zal de kleine merel met nest en al op de grond
vallen. Dan valt hij vast dood. Vader en moeder merel zijn helemaal
wanhopig.’ ‘Goh, da’s super zielig,’ zei Elise. ‘Maar wat kan ik daar
aan doen?’ ‘Heel veel!’ antwoordde Jonas. ‘Als jij met mij meegaat kan
jij de kleine vogel uit zijn nest halen. Niemand in het bos kan dat
doen. De dieren hebben geen handen om de kleine vogel te dragen. Als ze
hem in hun bek nemen, bijten ze hem misschien wel dood. En wij kabouters
zijn te klein. Wij hebben wel handen maar wij kunnen hem niet tillen.
Die vogel is bijna net zo groot als wij. Daarom hebben we besloten dat
we een mensenkind zouden gaan vragen ons te helpen Ik ben weggestuurd
om een aardig mensenkind te zoeken. Van beer hier hoorde ik dat jij heel
aardig bent. Dus ik dacht: dan vraag ik Elise.’ ‘Wil jij ons helpen?’ ‘Tuurlijk!’
knikte Elise. ‘Maar hoe kom ik in dat bos van jullie?’ ‘Laat dat maar
aan mij over,’ zei Jonas. ‘Jij hoeft alleen maar je ogen dicht te doen.
En denk erom: ook niet door een kiertje kijken.’ ‘Mag beer ook mee?’
vroeg Elise nog. Toen deed ze haar ogen stijf dicht en klemde beer
stevig tegen zich aan. Net toen ze dacht dat er niks gebeurde en ze haar
ogen maar weer open wilde doen, voelde ze gras onder haar voeten. Ze
rook een lekkere, frisse geur. Voorzichtig deed Elise haar ogen open en
keek om zich heen. Ze stond op een open plek in een bos. Tussen de
struiken aan de rand van de open plek zag ze allerlei dieren. Ze keken
nieuwsgierig naar haar. Elise had natuurlijk alleen haar pyjama aan. Een
hele mooie! Roze. Met allemaal kleine sterretjes en maantjes. Toch had
ze het niet koud. Het was lekker zonnig en warm in het bos. ‘Wees maar
niet bang hoor’ riep ze. ‘Ik ben met Jonas meegekomen om de kleine
merel uit zijn nest te halen.’ De dieren kwamen dichterbij. Elise zag
dat er tussen de struiken ook een heleboel regenboogkabouters stonden.
Ze hadden precies dezelfde kleuren als de struiken, daarom had ze ze
eerst niet gezien. ‘Dit is Elise,’ zei Jonas. ‘Zij wil ons wel helpen.’
‘Beer is er ook,’ zei Elise gauw. ‘Hij zal ook helpen.’ Twee merels
kwamen naar haar toe vliegen en zeiden: ‘kom vlug met ons mee. Onze zoon
zit al zolang in het nest. Hij moet er uit. Hij wordt te groot en te
zwaar. Zo breekt de tak af en valt hij naar beneden.’ ‘Ik kan de merels
verstaan,’ zei Elise verbaasd. ‘Daar heb ik voor gezorgd’ zei Jonas
trots. ‘Ik heb heel lang moeten oefenen op die toverspreuk, maar het is
me gelukt. Gaaf hè!’
De merels hipten intussen ongeduldig heen en weer. ‘Kom nou, kom nou,
kom nou toch!’ kwetterden ze. ‘Anders is het misschien te laat.’ Elise
liep achter de merels aan. Ze vlogen laag voor haar uit. Elise kon ze
makkelijk volgen. Jonas en alle dieren en regenboogkabouters holden ook
mee. De merels stopten bij een dikke oude eik. ‘Kijk, daar is het nest,’
hijgde Jonas. Hij wees naar boven. Elise tuurde en zag tussen de
bladeren door het nest. ‘Het zit wel erg hoog,’ zei ze. ‘Ik kan best
begrijpen dat die kleine merel een beetje hoogtevrees heeft.’ ‘O, o,’
zei Jonas bezorgd. ‘Heb jij soms ook hoogtevrees?’ ‘Nee, ikke niet,’ zei
Elise. Maar diep in haar hart vond ze dat het nest wel ontzettend hoog
in de boom zat. Ze liet niet merken dat ze een beetje bang was en zei:
‘kom op, beer, we klimmen naar boven.’ Elise liep naar de dikke boom en
zei: ‘hou je maar goed vast, beer. Ik stop je in de zak van mijn pyjama,
dan kan er niets gebeuren.’ Ze zette haar voet op een uitsteeksel aan de
stam van de boom en begon te klimmen. De boom was al oud en had veel
knoesten. Het klimmen ging best wel goed. Toen ze bij de tak kwamen waar
het nest op zat, zag Elise de merel zitten. ‘Hallo,’ zei ze. ‘Kom maar
uit het nest hoor. Het is heus niet eng. Ik ben ook naar boven
geklommen. Samen met beer. Het is echt niet moeilijk. Als jij nou uit
het nest komt en hierheen loopt, draag ik je naar beneden.’ De kleine
merel bibberde van angst en keek tussen zijn vleugels door. ‘Ik durf
niet,’ piepte hij. Elise schoof voorzichtig een eindje naar het nest
toe. De tak begon heel akelig te kraken. ‘Oei, beer,’ zei ze
geschrokken. ‘Ik ben te zwaar voor de tak. Als ik naar dat nest klim,
breekt-ie vast. Dan liggen we allemaal beneden. Dat moeten we niet
hebben.’ ‘Laat mij het laatste stukje maar gaan,’ zei beer, ‘ik ben veel
kleiner en lichter.’ ‘Voorzichtig dan’ knikte Elise. Ze schoof een
stukje terug naar de stam van de boom en zette beer op de tak. Heel
voorzichtig kroop beer naar het nest. De tak kraakte wel maar hij hield
het. Beer stapte in het nest en zei: ‘kom maar met me mee. Iedereen
staat beneden op je te wachten. Je vader en moeder zijn heel erg
ongerust. Het is niet eng. Echt niet. Je moet gewoon niet naar beneden
kijken. Dan gaat het best!’ De merel gluurde naar beer en zuchtte. ‘Weet
je zeker dat het niet gevaarlijk is?’ vroeg hij. Beer knikte. ‘Erewoord’
zei hij. ‘Het valt reuze mee. We hoeven maar een klein eindje. Tot Elise
ons kan pakken en verder kan dragen.’ ‘Tja, dan moet het maar,’ zei de
kleine merel. Hij snapte ook wel dat hij niet zijn hele leven in het
nest kon blijven zitten. Voorzichtig klom hij over de rand van het nest.
Hij schuifelde naar beer toe en samen met beer liep hij heel voorzichtig
over de tak. ‘Het gaat geweldig!’ riep Elise. ‘Jullie zijn er bijna. Nog
een heel klein eindje. Ik kan jullie bijna pakken.’ De merel hipte
verder en hield zijn ogen stijf dicht. ‘Je hebt het gehaald!’ riep Elise.
Ze strekte haar arm uit en pakte de merel op. ‘Zie je wel dat het best
meeviel?’ vroeg ze. ‘Je deed het super goed hoor!’ Ze pakte beer ook op
en zei: ‘ik stop jullie allebei in een zak van mijn pyjama en dan klim
ik naar beneden. Houden jullie je goed vast?’
Elise klom naar beneden. Toen ze weer op de grond stond begonnen de
regenboogkabouters en alle dieren te klappen en te juichen. Jonas stapte
naar voren en zei: ‘namens alle bewoners van dit bos bedank ik je heel
hartelijk, Elise. Je bent het aardigste mensenkind, dat we ooit hebben
ontmoet!’ ‘En de aardigste beer natuurlijk,’ zei Elise. ‘Beer heeft het
laatste stukje gedaan. Als hij er niet was geweest, had ik de merel nog
niet kunnen helpen.’ ‘Drie keer hoera voor beer en Elise,’ riep Jonas.
De kleine merel zat naast zijn vader en moeder. ‘Ik ben zo blij dat ik
beneden ben, mama,’ fluisterde hij. ‘Nou kan ik ook leren vliegen. Vanaf
de grond durf ik best. Dan ga ik steeds een stukje hoger! Eerst van die
steen af. Dan van die boomstronk. Dan van de onderste tak en dan van de
bovenste tak. Net zolang tot ik kan vliegen.’
Elise en beer waren met Jonas, de regenboogkabouters en de dieren
teruggegaan naar de open plek in het bos. ‘We maken een feest voor Elise
en beer!’ riep Jonas. Alle regenboogkabouters en dieren holden naar hun
huizen en kwamen terug met lekkere dingen. Een paar regenboogkabouters
hadden ook muziekinstrumenten meegebracht. En twee nachtegalen konden
heel mooi zingen. Tot laat in de nacht vierden ze feest. ‘Welterusten
beer,’ zei Elise. Ze had zoveel gegeten dat ze echt niks meer op kon. En
zoveel limonade gedronken dat haar buik er van klotste. Ze was moe van
al het feestvieren en ging lekker op het gras liggen. ‘Welterusten Elise,’
zei beer maar Elise hoorde het al niet meer.
De volgende morgen werd Elise
wakker in haar eigen bed, met het mooie gekleurde dekbed. ‘Heb je lekker
geslapen beer?’ vroeg ze. Beer gaf geen antwoord. Maar net toen Elise
dacht dat ze het allemaal gedroomd had, zag ze achter zijn oor een klein
zwart veertje.
Van een merel …
- terug -
Dierendag
Elise liep
te balen. Ze slenterde door de tuin en schopte tegen een steentje. Over
een week was het dierendag. De juf had gezegd dat alle kinderen dan een
dier mee mochten nemen naar school. Bijna alle kinderen hadden wel een
huisdier. Een poes, een hond, een cavia of een konijn. Die zouden ze
meenemen naar school. En Debbie had meteen geroepen dat zij Manus, haar
pony, zou meenemen. Debbie woonde op een boerderij. Zij had een eigen
pony. Af en toe mochten de kinderen uit de klas op Manus rijden. Elise
en alle andere kinderen in de klas woonden gewoon in het dorp. Maar
Elise had wel twee honden, Bruno en Bobbie. En Elise ging heel vaak naar
de kinderboerderij. Ze woonde er naast! Vanuit haar slaapkamerraam kon
ze de stallen zien. Op de boerderij waren heel veel dieren. Kippen,
eenden, pauwen, 2 koeien, 5 geiten, een paard dat pas een veulentje had
gekregen, een ezel, konijnen en ook varkens.
Bruno en Bobbie waren ook in de tuin. Ze liepen naar Elise toe. Elise
gaf de honden een knuffel. ‘Het is hartstikke jammer, jongens’ zuchtte
ze. ‘Jullie kunnen niet mee naar school op dierendag. Er komen al veel
te veel honden.’ Bruno en Bobbie keken haar aan. Het leek wel of ze
zeiden: ‘geeft niet hoor vrouwtje. Wij blijven wel thuis. Op het huis
passen.’ Bruno en Bobbie waren echt hartstikke lief. Maar ook super
waaks. Als er een vreemde bij het huis kwam, waarschuwden ze meteen. Dan
blaften ze keihard. Geen dief kon ongemerkt in de buurt van het huis
komen. Bruno en Bobbie hielden samen de wacht.
Elise liep de keuken in. Haar vader en moeder zaten koffie te drinken.
‘Mam, pap, help me eens. Welk dier moet ik nou meenemen naar school, op
dierendag? En zeg nou niet Bruno en Bobbie want honden en katten komen
er al genoeg.’ ‘Neem een varken mee’ riep haar vader plagend. ‘Zeker
weten dat niemand anders een varken meeneemt.’ Elise’s moeder schoot in
de lach. ‘Hè, hè, leuk hoor’ mopperde Elise. ‘Aan jullie heb ik ook
helemaal niks.’ Ze liep weer naar buiten. Een varken meenemen, dacht ze,
zou dat kunnen? Het zou wel keigaaf zijn. Pap zat er om te lachen. Maar
waarom eigenlijk? Varkens zijn leuk! Iedereen denkt altijd dat het
vieze, smerige beesten zijn maar dat is helemaal niet waar. Varkens
houden juist van schoon. Ze rollen alleen af en toe in de modder, omdat
ze het warm hebben. En omdat de vliegen niet door die harde modderlaag
heen kunnen steken. Misschien kunnen varkens zelfs wel kunstjes leren!
Zouden varkens door een hoepel kunnen springen, of zoiets? Net zoals de
leeuwen doen, in een circus. Dat zou super-toppie zijn! Ik ga meteen
naar de kinderboerderij. Naar de varkens kijken. De kinderboerderij lag
in het parkje, achter de straat waar Elise woonde. Als ze de achtertuin
uitliep en de straat schuin overstak, was ze er al. Elise ging het erf
van de kinderboerderij op en liep meteen naar de varkensstal. Er zaten
4 varkens in de stal en 1 biggetje. Het biggetje heette Boris.
Nieuwsgierig kwamen de varkens naar Elise toe. ‘Lieve varkens, luister
eens’ riep ze. ‘Volgende week is het dierendag en ik wil graag een
bijzonder dier mee naar school nemen. Zou één van jullie mee naar school
willen?’ De varkens keken naar Elise en knorden. Toen liepen ze weer
weg. Allemaal, behalve … Boris big! Boris ging keurig rechtop zitten en
knikte naar Elise. ‘Heb jij me verstaan, Boris? Echt waar?’ vroeg Elise
verbaasd. Boris knorde en knikte weer. ‘Daar heb ik voor gezorgd’ hoorde
Elise achter zich. Ze draaide zich om en riep: ‘Jonas!’ Hoe gaat het met
jou? Wat leuk om jou weer te zien!’ ‘Ach, ik was in de buurt’ zei Jonas.
‘Ik dacht, ik ga even bij Elise langs. Maar je was niet thuis. Beer
vertelde over dierendag. Dat je graag een bijzonder dier wilt meenemen
naar school. Beer zei dat je naar de kinderboerderij was gegaan.’ ‘En
jij hebt gezorgd dat Boris me kan verstaan?’ vroeg Elise. ‘Da’s echt
super vet! Dank je wel Jonas.’ Elise liep naar de deur van de stal en
zei: ‘Boris, ik ga aan de baas van de kinderboerderij vragen of ik jou
mee naar school mag nemen. Dat verwacht niemand. Een varken in de klas!!
En Boris, het zou helemaal geweldig zijn als jij een kunstje zou doen.
Mooi zitten kan je, dat zie ik al. Maar kan je ook een poot geven, net
als Bruno en Bobbie? Wacht, ik doe het even voor’. Elise ging op haar
hurken zitten en deed voor hoe Boris een poot moest geven. De hele
middag oefende Elise met Boris big. ‘Je kunt het al bijna, Boris’
juichte Elise. ‘Je bent echt geweldig!’
‘Elise’ vroeg haar moeder ‘wat doe je toch telkens op de
kinderboerderij? ‘Oh gewoon, kijken’ zei Elise en ze liep snel door
naar haar eigen kamer. Ze wilde haar geheim niet verklappen. Ze vond het
heel leuk om met Boris te oefenen. Boris was echt een heel slim varken!
Om het allemaal extra mooi te maken, had Elise voor Boris een
feesthoedje en een gekleurd sjaaltje gekocht. Eerst vond Boris het
waardeloos, zo'n ding op zijn kop met zo'n strak elastiek. Hij schudde
heel hard met zijn kop om te proberen het hoedje af te krijgen. ‘Laat
nou even, Boris’ riep Elise. ‘Het staat je echt heel goed. Morgen zal ik
een spiegel meenemen. Dan kan je zelf kijken hoe mooi je er uit ziet.’
De volgende dag ging Elise op haar knieën voor Boris zitten en hield een
spiegel voor zijn snuit. Boris keek in de spiegel en knorde tevreden.
Hij schudde niet meer met zijn kop maar hield het hoedje keurig op. ‘Je
bent een echte artiest, Boris’ lachte Elise. ‘Je bent het mooiste varken
dat ik ooit gezien heb!’
De dag voor dierendag vroeg Elise haar vader en moeder om mee te komen
naar de kinderboerderij. Ze had Peter, de baas van de kinderboerderij,
ook gevraagd om naar de varkensstal te komen. Boris zat keurig rechtop
met zijn hoedje op en zijn sjaaltje om. Elise deed het hek open en liep
naar Boris toe. Ze stak haar hand uit en Boris gaf netjes een poot.
Elise pakte ook de andere voorpoot van Boris en riep "HOPLA". Boris ging
op zijn achterpoten staan en draaide een rondje. ‘Nu nog doodliggen’ zei
Elise. Als een blok liet Boris zich vallen. Hij leek zo dood als een
pier. ‘Goed gedaan, Boris.’ Elise klapte in haar handen. Boris kwam
overeind en ging weer mooi zitten. Elise kriebelde hem tussen zijn oren.
'Asjemenou’ zei haar vader. Zijn mond hing open van verbazing. ‘Dat had
je niet gedacht, hè?’ riep Elise triomfantelijk. ‘Nou hoef je niet meer
te lachen!’ Elise liep naar Peter en vroeg: ‘Peter, mag ik Boris morgen
meenemen, naar school? Alsjeblieft?’ Ze keek de baas van de
kinderboerderij vragend aan. Die krabde nadenkend op zijn hoofd. ‘Kan je
niet gewoon de goudvissen meenemen naar school, Elise? Dat zou een stuk
makkelijker zijn hoor’ zei hij. ‘Ach toe, Peter, de goudvissen zijn
saai. Ik wil zo graag een bijzonder dier meenemen. En niemand neemt een
varken mee, dat weet ik zeker. Mag ik alsjeblieft Boris meenemen?’
bedelde Elise. ‘Toe, mag het ?’ Peter schoot in de lach. ‘Tja, iets
bijzonders is het zeker’ zei hij. ‘Als je vervoer kunt regelen, dan
vind ik het goed.’ ‘Dat komt wel goed’ zei Elise’s vader. ‘We leggen wel
een ouwe deken op de achterbank.’
De volgende dag, 4 oktober: dierendag, was Elise supervroeg wakker. Snel
kleedde zich aan en ging naar de slaapkamer van haar ouders. ‘Wakker
worden pap!’riep ze. ‘We moeten naar de kinderboerderij.’ Haar vader
kwam zijn bed uit. ‘Eerst even douchen en aankleden, Elise’ grinnikte
hij. ‘En een ontbijtje. Dat zou ook lekker zijn.’ Het duurde allemaal
veel te lang, vond Elise. Maar eindelijk gingen ze dan naar de
kinderboerderij. Elise holde de varkensstal in. Boris was al wakker. Hij
kwam meteen naar haar toe. ‘Je ziet er keurig uit, Boris’ zei Elise.
‘Geen spatje modder. Je kunt zo mee naar school.’ Elise liep met Boris
naar de auto. ‘Ga jij maar met Boris achterin zitten, Elise’ zei haar
vader. Elise deed het achterportier open en riep: ‘kom maar Boris,
lekker hier zitten, dan kan je fijn naar buiten kijken.’ Op weg naar
school, wees Elise Boris alle mooie plekjes aan. Haar vader reed de
parkeerplaats van de school op en Elise en Boris stapten uit. Alle
kinderen renden naar Elise en Boris toe. ‘Kijk toch eens. Kijk, hier!’
gilden ze. ‘Elise heeft een varken bij zich, een echt, levend varken!’
Elise glom van trots. Boris liep rustig naast haar. Alsof hij elke dag
mee ging naar school. Hij ging netjes naast de honden en katten zitten.
Toen hij aan de beurt was, zette Elise hem zijn hoedje op en deed zijn
sjaaltje om. Boris zag er prachtig uit. Hij deed zijn kunsten alsof hij
in het circus werkte. Alle kinderen klapten zo hard ze konden in hun
handen, zó goed vonden ze Boris.
-
terug -
Dagje uit
‘Mag het,
mama? Mag het?’ Elise huppelde om haar moeder heen. ‘Elise, even stil nu
!’ riep haar moeder. ‘Ik moet oma nog bellen, dat weet je toch. Als oma
het goed vindt mag je een dagje naar haar toe. Ik bel zo echt wel. Maar
laat me nou even met rust. Ik moet eerst de was uit de droger halen.
Anders komen er allemaal kreukels in.’ ‘Ik ben al weg, mama. Bel je wel
gauw? Niet vergeten hoor!’ Elise rende de deur uit. Het was een
heerlijke zomerdag en ze had vrij van school. De herfstvakantie was net
begonnen. Ze hoefde zich niet te vervelen. Op de kinderboerderij waar ze
vlakbij woonde, was altijd wat te zien. Toch wilde ze ook graag iets
anders gaan doen. Ze wilde een dagje naar oma, lekker in haar eentje.
Oma woonde aan zee, heerlijk! Elise zag het al helemaal voor zich. Dan
zou ze zelf met de trein gaan! Helemaal alleen! Dat was al super gaaf.
Oma zou haar ophalen, op het station. Samen zouden ze bedenken wat ze
die dag zouden gaan doen. Elise was naar de kinderboerderij gelopen om
even met Boris big te kletsen. Ze ging eigenlijk elke dag wel even naar
de varkensstal om met Boris te praten. Boris en zij waren echte vrienden
geworden. Boris was zó goed geweest, op dierendag. Hij was mee geweest
naar school en had een heleboel kunstjes gedaan. Elise’s klasgenootjes
hadden het geweldig gevonden. Nog nooit had iemand een varken mee naar
school genomen! ‘Als het nog mooi weer is’ zei Elise tegen Boris ‘gaan
oma en ik vast naar het strand. Heerlijk !! ‘En misschien gaan we ook
nog poffertjes eten. Of een ijsje. Hè, ik heb er nu al zin in!’ Elise
lachte en zei: ‘voor jou zouden het aardappelschil-poffertjes moeten
zijn, Boris’ Lekker, met een heleboel poedersuiker’. Elise moest nog
harder lachen. Een varken in een poffertjeskraam, dat zou nog eens een
super-stunt zijn! Elise sprong van het hek, zwaaide nog een keer naar
Boris en liep naar huis terug. Bruno en Bobbie, de honden, kwamen naar
het tuinhek toegerend. Ze hadden zin in een lekkere wandeling. ‘Gaan
jullie mee, jongens?’ vroeg Elise. ‘Jullie hebben vast wel zin in een
blokkie-om.’ Ze liep naar binnen en pakte de hondenriemen.
’s Avonds zaten Elise en haar vader en moeder te eten. ‘Nou, Elise, je
kunt je koffertje pakken hoor’ zei Elise's moeder. ‘Oma vindt het prima
dat je alvast een dagje naar haar toe gaat’. ‘Jippie!!’ Elise sprong op
en maakte een rondedans van plezier. ‘Wanneer, mama? Morgen?’ riep ze.
‘ADHD-typje’ lachte haar moeder. ‘Alles moet altijd meteen bij jou.
Maar nee, morgen niet. Dan zouden we met Debbie en haar moeder gaan
winkelen, weet je nog. Jullie hebben allebei wat nieuwe kleren nodig.
Trouwens, ik kan zelf ook wel een paar bloesjes gebruiken. En een paar
nieuwe zwarte schoenen. Donderdag kan je dan naar oma. Ik heb al gekeken
hoe laat de treinen gaan. Als je de trein van half tien neemt, ben je om
tien voor tien bij oma op het station. Ik kan je wel even naar het
station brengen. Dan ga ik daarna door naar mijn werk. Oma belt ons ’s
middags om te zeggen hoe laat ze je 's avonds weer op de trein zet’.
Elise’s vader keek zijn vrouw (Hanneke) aan. ‘Is dat nou wel een goed
idee, Hanneke? Elise, helemaal alleen met de trein?’ Vader zei het een
beetje weifelend. ‘Nou papa, dat kan ik best, hoor. Ik ben geen klein
ukkie meer’ zei Elise verontwaardigd. ‘Ik hoef alleen maar in te stappen
en te blijven zitten tot ik er ben. Da's toch makkelijk?’ Elise was
ongerust dat haar reis niet door zou gaan. ‘Ja, dat is meestal zo met
reizen’ lachte haar vader. ‘Je moet blijven zitten tot je er bent. Als
je het zo bekijkt is het simpel’. ‘Het komt heus wel goed, Aart’ zei
Elise’s moeder tegen haar man. ‘Ik ging vroeger ook alleen naar mijn
oma, toen ik zo oud was als Elise. Er kan toch niks gebeuren? Het is
maar een klein stukje. Ze hoeft nergens over te stappen. Als ik haar op
de trein zet en mijn moeder haalt haar af, dan kan het toch niet fout
gaan?’ ‘Nou, okee, dan moet het maar’ glimlachte Elise’s vader. Elise
straalde. Ze mocht alleen op reis. Naar haar oma. Vet gaaf toch! Na het
eten rende ze naar de kinderboerderij om het aan Boris big te vertellen.
Ze zat op het hek en zei: ‘hé, kijk uit, je gooit me bijna van het hek
af’. Elise gaf Boris een duw. Maar Boris liep niet weg. Hij ging recht
voor haar staan en begon te knorren. ‘Boris!’ gilde Elise ‘ik kan je
weer verstaan!’ Boris knikte. ‘Ik heb aan Jonas gevraagd of hij wilde
zorgen dat je weer met me kon praten, Elise’ knorde hij. ‘Want ik wil je
iets vragen.’ ‘Ik wil zo graag mee naar het strand. Ik heb de zee nog
nooit gezien ... Wij varkens gaan nooit eens een dagje uit.’ ‘Joh, dat
kan toch niet, Boris’ zei Elise. ‘Biggen kunnen toch niet in de trein?’
Boris knorde weer. ‘Honden mogen toch ook in de trein?’ zei hij. ‘Waarom
biggen dan niet?’ ‘Tja’ zei Elise ‘waarom biggen dan eigenlijk niet?
Eigenlijk is het helemaal niet eerlijk dat biggen nooit eens een dagje
uit kunnen gaan.’ Ze sprong van het hek af en liep naar huis. ‘Ik zal
er over nadenken, Boris’ riep ze, over haar schouder. Die avond, toen
haar moeder haar kwam instoppen, vroeg Elise of er dieren in de trein
mochten. ‘Ja hoor’ zei haar moeder ‘dat mag wel. Honden bijvoorbeeld en
katten. Als ze maar aan de riem zitten of in een kooitje. En je moet
voor ze betalen. Meestal moet je een kinderkaartje voor ze kopen. Maar
waarom wil je dat eigenlijk weten?’ ‘Oh, zomaar’ zei Elise.
‘Welterusten, mama’. Ze gaf haar moeder en zoen en draaide zich op haar
zij. Al gauw droomde ze van een hele trein vol biggen.
Op donderdag ging Elise al heel vroeg naar de kinderboerderij. Haar
vader en moeder waren nog niet wakker. Elise was stilletjes het huis uit
geslopen. Ze vertelde Boris big dat ze zou proberen hem mee te nemen
naar oma. Ze waste hem tot hij helemaal schoon en roze was: nergens zat
meer een vlekje modder. ‘Kom maar Boris’ zei ze. ‘Ik verstop jou tussen
de struiken. Dan ga ik weer naar huis. En dan kom ik later terug om je
op te halen. Mijn moeder brengt mij naar het station. Als zij weg is,
ren ik snel hierheen en dan gaan we samen naar het station. En denk er
om hoor, niet weglopen!’ ‘Ga jij maar naar huis, Elise’ hoorde ze. ‘Ik
blijf wel bij Boris.’ ‘Hoi Jonas’ riep Elise ‘je komt precies op tijd.
Wil je echt bij Boris blijven?’ Jonas knikte. ‘Geen probleem’ zei hij.
‘Ga je dan ook mee, naar zee?’ vroeg Boris. ‘Nee, mij niet gezien’
antwoordde Jonas. ‘Ik houd helemaal niet van water. En zeker niet van
zout water. Nee, ik blijf lekker thuis.’ Elise rende terug naar huis.
Haar ouders sliepen nog! Elise deed een oude hondenriem van Bobby in
haar tas. Dan kon ze Boris big zo netjes aanlijnen. Daarna maakte ze
haar ouders wakker. ‘Gaan we nou, mam?’ vroeg ze. ‘Kind, het is nog
midden in de nacht’ bromde haar moeder. ‘Maak je nou maar geen zorgen,
we komen echt wel op tijd bij de trein.’ Eindelijk gingen ze dan toch.
Elise stond te trappelen van ongeduld. Ze was bang dat iemand Boris big
zou ontdekken, tussen de struiken. Maar dat kon ze natuurlijk niet tegen
haar moeder zegen. Bij het station liep haar moeder naar het loket. Ze
bestelde een kaartje en betaalde.
‘Okee Elise, hier heb je je kaartje’ zei ze. 'De trein komt zo, op
perron 3. Kom, dan lopen we daar vast naar toe.’ ‘Hoeft niet mam’ zei
Elise. ‘Je hoeft echt niet te wachten tot de trein komt. Ik kan toch
niet verdwalen? Je kunt gerust gaan hoor.’ ‘Tja, als ik nou wegga, kom
ik nog op tijd op kantoor’ zei Elise’s moeder. ‘Nou, dan ga ik maar.’ Ze
gaf Elise een dikke kus. ‘Voorzichtig zijn hè! En doe de groeten aan
oma!’ Elise wachtte tot haar moeder weg was en rende toen naar de
struiken, waar ze Boris verstopt had. Boris en Jonas zaten netjes te
wachten. ‘Bedankt Jonas’ lachte Elise. ‘Graag gedaan Elise’ zei Jonas
‘en goede reis jullie!’ Elise liep naar Boris en deed hem de riem van
Bobbie om. ‘Netjes meekomen Boris’ zei ze. We gaan een kaartje voor je
kopen’. Samen met Boris liep ze terug naar het station. Bij het loket
zei ze: ‘één kaartje voor mijn huisdier. Zelf heb ik al een kaartje’.
Elise probeerde heel gewoon te doen. Ze hoopte dat de man achter het
loket niet zou merken dat ze niet gewoon een hond of een kat bij zich
had, maar een varken. ‘Dat is dan vier Euro vijftig, jongedame. Wat heb
je eigenlijk voor een dier bij je?’ Elise had al het geld uit haar
spaarpot meegenomen en telde vier Euro vijftig uit. Ze gaf geen antwoord
en hield haar hand op voor het kaartje. De man gaf haar het kaartje.
Toen keek hij naar beneden en zag Boris big. ‘Een varken’ zei hij
verbaasd. ‘Sinds wanneer nemen kleine meisjes varkens mee op reis? Eens
even kijken of dat wel volgens de regels is’. Hij begon in een dik boek
te bladeren. Daar ga ik niet op wachten, dacht Elise. Zo staat er nog
dat het verboden is om varkens mee te nemen! ‘Ik kan niet wachten
meneer, de trein gaat zo weg’ riep Elise. ‘Ik moet nu echt instappen.’
Ze wachtte niet op een antwoord maar rende naar de trein, tilde Boris
big op en stapte in. Vlug ging ze op een lege bank zitten met Boris
tussen haar voeten. Al gauw stonden er een heleboel mensen om Elise en
Boris heen. Elise vertelde dat Boris nog nooit de zee had gezien en dat
ze hem daarom een dagje mee uit nam. De mensen vonden het een prima
idee. De meeste mensen wilden Boris ook even aaien. Toen kwam de
conducteur om de kaartjes te knippen. Hij krabde onder zijn pet, toen
hij Boris zag. ‘Ik geloof nooit dat varkens in een personentrein mogen’
zei hij. ‘Maar dit is een heel net varken, meneer’ zei Elise beleefd.
‘Hij kan net zoveel kunstjes als een hond en hij is ook zindelijk’. ‘Wij
hebben helemaal geen last van Boris hoor’ zeiden de andere mensen in de
coupé. ‘Van ons mag Boris blijven. Dan kan hij ook een keer de zee
zien!’ ‘Nou, vooruit dan maar’ bromde de conducteur. Eerst knipte hij de
kaartjes van alle mensen in de coupé. Toen dat van Elise. Even leek het
nog of hij toch zou zeggen dat Boris niet in de trein mocht blijven maar
toen knipte hij ook het kaartje van Boris. ‘Hoera, Boris mag mee!’ riep
iedereen. Toen de conducteur weg was, tilde Elise Boris op haar schoot,
zodat hij ook fijn naar buiten kon kijken.
‘Dag Elise, heb je een goede reis gehad?’ Oma stond op het perron op
Elise te wachten. Ze keek wel heel erg verbaasd toen ze Elise én Boris
zag uitstappen. Elise vertelde dat ze Boris had meegenomen omdat hij nog
nooit de zee had gezien. Boris zat keurig naast haar en knorde af en toe
zachtjes. ‘Op stap met een varken, da's weer eens wat anders’. Oma
schoot in de lach. Ze bukte zich en aaide Boris. ‘Nou, dan moeten we
maar drie strandstoelen huren, zo. Eén voor mij, één voor jou Elise en
één voor Boris. Kom maar mee jullie’.
Elise, oma
en Boris hadden een heerlijke dag. Eerst deden ze boodschappen. Ze
gingen naar de supermarkt want ze wilden wat lekkere dingen kopen, voor
op het strand. Boris zat netjes in het kinderzitje van het
winkelwagentje. Hij at op de groenten afdeling maar één klein hapje van
de sla. En dat ging natuurlijk per ongeluk! Daarna gingen ze een ijsje
eten. In de ijssalon op de boulevard. Dat lustte Boris ook! En toen de
mensen zagen hoe keurig Boris zijn ijsje at, wilden ze hem allemaal een
hapje van hun eigen ijsjes laten proeven. ‘Nou ophouden hoor, Boris’
waarschuwde Elise. ‘Zo krijg je buikpijn van al dat ijs’. Toen ze bij
het strand kwamen knorde Boris blij. Hij vond het strand en de zee
prachtig. Het was al oktober maar het water was nog best lekker. Samen
met Elise sprong Boris in de golven. Daarna rustten ze lekker uit, naast
oma. Elk in hun eigen strandstoel. Oma had nog een verrassing! Het was
kermis in het dorp. Ze gingen er heen. Elise mocht in de zweefmolen en
in de poliep. Boris keek heel teleurgesteld. Maar hij begreep wel dat de
zweefmolen en de poliep te gevaarlijk voor hem waren. Toen liepen ze
naar de draaimolen. Daar mocht Boris wel in, samen met Elise. Ze zaten
in de brandweerauto. Drie rondjes mochten ze, achter elkaar! En omdat ze
toen nog niet misselijk waren, kregen ze ook nog een suikerspin.
'Poffertjes, oma, mogen we ook nog poffertjes?’ vroeg Elise. Daar heb ik
Boris over verteld. Die vindt hij vast heel lekker. Haar oma knikte en
Boris, Elise en oma zochten een mooi plaatsje in de poffertjeskraam.
Boris knoeide een beetje met de poedersuiker. Zij hele snuit was wit.
Maar verder at hij super netjes! Toen was het tijd om weer naar huis te
gaan. Oma bracht Elise en Boris naar het station. Elise gaf oma een
dikke zoen, om haar te bedanken voor de heerlijke dag. En Boris gaf oma
een poot. Oma bleef wachten tot de trein het station uitreed. Elise en
Boris zwaaiden nog heel lang, van achter hun raampje. Ik ben benieuwd
wat Aart en Hanneke zeggen, als ze Elise met Boris zien uitstappen,
dacht oma. En grinnikend liep ze naar huis.
- terug -
Kippencircus
Wat was
dat? Verbaasd in haar ogen wrijvend, keek Elise om zich heen. Ze had
iets geks gehoord en was daardoor wakker geschrokken. Het moest nog wel
midden in de nacht zijn, want het was pikkedonker in haar kamer. Alleen
het kleine Mega Mindy-lampje, dat altijd mocht blijven branden, gaf een
beetje licht. Net toen ze dacht: dan ga ik maar weer slapen, hoorde ze
het weer. Het klonk alsof er ergens gelachen werd en het kwam van
buiten. Nieuwsgierig stapte Elise haar bed uit en liep naar het raam. Ze
schoof de gordijnen een beetje open en keek naar buiten. Nou moe, dacht
ze, er brandt licht bij de kinderboerderij. Maar het is niet de gewone
buitenlamp. Het lijkt wel of er ergens een schemerlamp brandt. Zouden er
inbrekers zijn? dacht ze ongerust. Dan moet ik papa en mama wakker
maken. ‘Nee’ mompelde ze in zichzelf. ‘dan zouden de dieren vast
onrustig zijn.’ Maar wat is er dan aan de hand? dacht Elise. Weet je
wat, ik ga kijken! Heel stilletjes, om haar vader en moeder niet wakker
te maken, deed Elise de deur van haar kamer open. Oh, wacht even, dacht
ze, eerst mijn sokken en mijn vest aantrekken. Dan krijg ik het niet
koud, als ik buiten ben. Voorzichtig sloop ze de trap af en liep door de
gang naar de keuken. Bruno en Bobbie stonden voor de deur. Ze kwispelden
met hun staarten en kwamen op Elise af, om haar te likken. Maar ze
blaften niet. ‘Zijn jullie ook wakker, jongens?’ vroeg Elise. ‘Dan is er
écht iets aan de hand. Maar het is vast niks engs, anders blaften jullie
wel.’ Ze keek door de keukendeur en zag het nu duidelijk. Er brandde
licht in de grote stal van de kinderboerderij! Elise trok gauw haar
laarzen aan en fluisterde: ‘kom op, jongens, we gaan bij de stal kijken.
Als jullie er bij zijn ben ik niet bang. Zelfs niet om in mijn eentje,
midden in de nacht, naar buiten te gaan.’ Toen ze de keukendeur een
kiertje opende, schoten Bruno en Bobbie naar buiten. Nog steeds blaften
ze niet. Ze liepen snel in de richting van de kinderboerderij. Na een
paar meter bleven de honden staan en keken achterom. En ze kwispelden
heel snel met hun staart. Het lijkt wel of ze me roepen, dacht Elise.
‘Ik kom eraan, jongens, ga maar vast bij de stal kijken’ zei ze
zachtjes. De honden renden voor haar uit. Toen ze bij de stal waren
gekomen, bleven ze staan. Onder het raam. Het was zo'n raam met allemaal
kleine, vierkante ruiten erin, net een mozaïek. Eén van de kleine ruiten
was kapot. Ingegooid door een stel vervelende jongens. Bruno jankte een
beetje en blafte heel zachtjes. Daarna stonden de twee honden met
opgeheven koppen en gespitste oren te luisteren. Ik hoor de kippen
kakelen, dacht Elise. Maar wat vreemd, ze kakelen heel zachtjes. Snel
liep ze naar de stal. De honden renden haar tegemoet en Bruno duwde haar
met zijn kop in de richting van de staldeur. ‘Hé, kalm aan, ik kom al
hoor’ lachte Elise. ‘Wil je dat ik naar binnen ga?’ Elise liet zich naar
de staldeur duwen en deed die voorzichtig open. Haar ogen werden groot
van verbazing. De hele stal was omgetoverd in een soort circus. Alle
dieren zaten in het midden van de stal, netjes in een kring. Achter twee
balen hooi, aan de zijkant van de kring, zag ze een paar kippen. Het was
nu doodstil in de stal, geen van de dieren maakte geluid. Het licht dat
ze had gezien, kwam van een oude stallantaarn.
Ineens stapte er een mannetje naar voren. Hij zei: ‘welkom Elise, we
zijn blij dat je naar ons circus komt kijken.’ ‘Jonas, wat doe jij hier
nou?’ vroeg Elise. Jonas lachte. ‘Ik kom vaak in de kinderboerderij’ zei
Jonas. ‘Gezellig even kletsen met alle dieren. En toen ze me vroegen of
ik het kippencircus wilde presenteren, heb ik meteen ja gezegd! Ga nou
maar lekker zitten en kijk!’ ‘Een kippencircus? Daar heb ik nog nooit
van gehoord’ zei Elise verbaasd. ‘Het is ook heel bijzonder’ zei Jonas
trots. ‘Eens in het jaar geven de kippen een voorstelling voor alle
dieren in de stal. Ze oefenen het hele jaar, stiekem, in het leghok, op
alle nieuwe kunsten die ze tijdens de voorstelling willen vertonen. We
nodigen de mensen nooit uit voor het kippencircus. We zijn bang dat ze
de kippen dan aan een echt circus willen verkopen. Dat willen we niet.
Maar Bruno en Bobbie zeiden dat jij ons niet zou verklappen. Daarom mag
jij vannacht kijken. Als je dat tenminste wilt.’ ‘Oh, ja!’ fluisterde
Elise. ‘Dat wil ik heel graag. En ik zal niets verklappen hoor,
erewoord.’ ‘Goed, ga dan daar maar zitten, naast de koeien. Dan kan je
alles goed zien.’ De haan wees haar een plaatsje en Elise ging vlug
zitten, lekker in het hooi. Bruno en Bobbie gingen aan haar voeten
liggen. ‘Dag, Clara, dag, Antje’ zei Elise zacht tegen de koeien. Ze
keek snel om zich heen. Alle dieren waren er: Jacobus de bok en
Willemien de merrie met haar veulen, Fleur. Daarnaast zaten de schapen
en Bertus, de ezel. Ook alle koeien waren er. Clara en Antje zaten
vooraan en de andere koeien stonden daarachter. Naast Clara en Antje
zaten Victor en Vera varken met hun zeven biggetjes. Kleine Boris big
knipoogde naar Elise. Helemaal links in het hoekje zaten de ganzen.
Meestal zaten die druk te snateren maar nu waren ze stil. ‘Jij had wel
eens iets kunnen zeggen over het kippencircus, Boris’ fluisterde Elise.
‘Ik mocht het geheim niet verklappen, Elise’ antwoordde Boris zacht.
‘Dat was wel moeilijk Ik wilde het wel vertellen. Echt wel! Maar dan zou
het geen verrassing meer zijn.’ ‘Da’s ook weer waar’ zei Elise. ‘En een
verrassing is het, ik weet gewoon niet wat ik zie.’
Jonas
stapte naar voren en riep: ‘hooggeëerd publiek. Het is mij een eer u
welkom te heten in het wereldberoemde kippencircus. Het eerste optreden
is van zwarte Bella, de dansende kip.’ Zwarte Bella? dacht Elise. Er
zijn toch helemaal geen zwarte kippen op de kinderboerderij? Alle kippen
zijn toch wit? Vanachter de balen hooi fladderde een kip naar het midden
van de kring. Ze had zichzelf door het roet van de kolen gerold. Haar
anders zo mooie, witte veren, waren nu pikzwart. Ze had een soort rokje
aan van crepepapier en een bloem boven op haar hoofd. Ineens begonnen de
andere kippen, achter de hooibalen, zacht te kakelen. Het leek wel een
liedje. Sierlijk begon Bella te dansen. Ze hipte van de éne poot op de
andere, klapperde met haar vleugels en draaide rondjes. Toen het liedje
uit was maakte Bella een diepe buiging. De dieren stampten zacht met hun
hoeven op de grond en Elise klapte zacht in haar handen. Stralend van
trots fladderde Bella terug en verdween achter de hooibalen.
‘En nu treden de rollende kippen voor u op’ riep Jonas. Elke keer als
hij naar voren stapte, had hij een andere kleur. Nu was hij helemaal
paars! Meteen kwamen er vier kippen de kring in lopen. Clara koe schopte
twee melkemmers om en rolde die naar de kippen. Die sprongen erop en
balanceerden heen en weer. Dat ging een beetje moeilijk omdat ze
allemaal een ketting van bloemen om hadden waar ze steeds over
struikelden. Telkens als ze bijna van de emmers afvielen moest Elise op
haar lippen bijten om niet te lachen. Het zag er zo grappig uit, die
wild fladderende kippen. Ook de rollende kippen kregen een hartelijk
applaus.
‘En dan nu een levensgevaarlijke act aan de trapeze’ kondigde Jonas aan.
Net toen Elise zich afvroeg hoe de kippen dat zouden doen, zag ze drie
kippen naar de nok van de stal vliegen. De verzorger heeft zeker
vergeten die te kortwieken, dacht ze. Nou ik zal ze niet verraden! De
kippen gooiden de hijstouwen die in de nok van de stal hingen naar
beneden en sprongen van de nokbalk af. Ze pakten de touwen met hun
snavel en slingerden als echte trapezewerkers heen en weer. Ze vlogen
ook van touw naar touw en eindigden hun optreden door met z’n drieën aan
hetzelfde touw te gaan hangen. De dieren én Elise vergaten dat ze stil
moesten zijn; ze stampten en klapte zo hard ze konden. ‘Bewaart u nog
een beetje applaus voor het laatste optreden’ riep Jonas. Want hier komt
de wereldberoemde kippenpiramide’. Vanachter de hooibalen kwamen alle
tien kippen de kring in lopen. Ze hadden allemaal een jas aan of een
sjaal om. Hé, dat zijn allemaal oude kleren, giechelde Maaike. Die
hebben ze uit de kledingcontainer gehaald. Daar doen mensen oude kleren
in, voor Afrika. De vier dikste kippen gingen naast elkaar in het midden
van de kring staan. Drie kippen fladderden omhoog en gingen op hun
schouders staan. Toen vlogen de drie trapeze-kippen omhoog. Twee gingen
op de schouders van de drie kippen staan. De laatste landde weer bovenop
die twee kippen. Elf hele tellen stond de piramide. Toen zakte Mina, één
van de vier onderste kippen, door haar poten en raakten alle kippen
daarboven uit hun evenwicht. Met een wild gedwarrel van veren viel de
piramide om. Dat gaf niets: het was toch een prachtige piramide geweest.
Alle dieren stampten enthousiast en Elise klapte zo hard ze kon in haar
handen.
Ineens sprong Bruno op en blafte. ‘Oei’ zei Jonas. ‘Er komt iemand aan.
Vlug, iedereen terug naar zijn plek!’ In een ogenblik waren alle dieren
teruggerend naar hun eigen plek in de stal. Snel trok Clara koe nog aan
het koordje van de stallantaarn. Het licht floepte uit en het was
pikkedonker in de stal.
Elise zat, samen met Bruno en Bobbie, in het midden van de stal toen
haar vader binnenkwam en het grote licht aan deed. ‘Wat doe jij nou
hier, meisje?’ vroeg haar vader. Ik moest plassen en zag dat je niet in
je bed lag. Toen zag ik dat Bruno en Bobby er ook niet waren en dat er
licht brandde bij de kinderboerderij. En ik dacht al, dat jij daar
misschien heen was gelopen. Elise wreef in haar ogen en keek om zich
heen. Ze deed of ze heel slaperig was. ‘Ik weet het niet, papa, ik
gedroomd denk ik’ zei ze. ‘Van de kinderboerderij. De dieren hielden
circus in de stal. Ik weet wel dat dat niet kan maar ik wilde toch even
kijken. Bruno en Bobbie zijn met me meegelopen. Maar er is helemaal niks
in de stal. Ik wil wel weer terug naar mijn warme bedje. Ze stond op en
vloog haar vader om zijn nek. Die gaf de honden een aai en tilde Elise
lachend op.
‘En, was
het een mooi circus?’ vroeg hij, terwijl hij haar terug naar huis droeg.
‘Het was prachtig, papa’ zei Elise. ‘Het was het mooiste circus dat ik
ooit heb gezien!’
- terug -
Schaap in de sloot
‘ 't Is
niet eerlijk. Omdat mama de helft van de boodschappen vergeet moet ik
naar het winkelcentrum fietsen. En het is nog rotweer ook, hartstikke
harde wind.’ In zichzelf mopperend liep Elise naar de schuur. ‘Tuurlijk,
staat mijn fiets ook nog helemaal achteraan ... Moet ik eerst weer alle
andere fietsen opzij zetten.’ Elise baalde als een stekker. Ze had
lekker op de bank willen gaan zitten, om de DVD van ‘het huis Anubis’
nog een keer te kijken. Lekker, met een cola’tje erbij. En misschien
zijn er nog wel wat chips ook, had ze gedacht. Maar net toen ze de DVD
in de DVD-speler gestopt had kwam haar moeder binnen. ‘Elise,’ zei ze,
‘ik heb vergeten melk te kopen en er staat echt geen één pak meer in de
koelkast. Gelukkig dat het woensdagmiddag is en jij thuis bent. Nou kan
jij mooi even naar het winkelcentrum fietsen, om een paar pakken melk te
halen.’ Ze heeft het niet eens gevraagd, dacht Elise verontwaardigd.
Voor ik kon zeggen dat ik liever een DVD-tje wilde kijken, was ze alweer
teruggelopen, naar de keuken. ‘Pak maar geld uit de portemonnee,’ had
Elise’s moeder nog geroepen. ‘t Is niet eerlijk, Bruno,’ zei Elise tegen
de hond, die meegelopen was naar de schuur. ‘Grote mensen beslissen maar
wat kinderen moeten doen. Ze kijken niet eens of we ergens anders mee
bezig zijn.’ Driftig pakte Elise de voorste fiets, klapte de standaard
uit en zette de fiets weg. Ze deed het zo wild dat de fiets omviel.
Bijna op Bruno. Die sprong blaffend weg. Elise schrok. Eerst keek ze of
Bruno misschien geraakt was en toen keek ze of de fiets nog heel was.
Snel zette ze de fiets weer overeind. 't Was papa's nieuwe fiets, hij
zou het niet leuk vinden als die kapot was. Gelukkig waren Bruno én de
fiets in orde. Door de schrik was Elise haar drift kwijt. ‘Nou ja, Bruun,’
zei ze verontschuldigend, ‘als ik hard doortrap, ben ik met een half
uurtje weer thuis. 't Is niet zo ver naar het winkelcentrum. Dan kan ik
daarna toch nog naar Anubis kijken.’ Ze aaide de hond, zette de fietsen
weg, pakte haar eigen fiets en liep naar buiten. Daar stapte ze op haar
fiets en reed weg. Getver, dacht ze, het waait echt hard. Maar gelukkig
heb ik hem nu tegen, dan hoef ik op de terugweg bijna niet te trappen.
Bruno en Bobbie, die ook tevoorschijn was gekomen, renden met haar mee.
Bij het hek stapte Elise af. Ze deed het hek open en reed haar fiets er
doorheen. ‘Terug, jongens,’ zei ze. De honden gingen zitten en keken
haar verdrietig aan. Ze verheugden zich op een lekker eindje rennen en
nou stuurde het vrouwtje hen terug naar huis. ‘Jeetje, wat kijken
jullie zielig’ lachte Elise. ‘Nou, vooruit, jullie mogen mee. Dan rijd
ik wel buitenom, langs de kinderboerderij. Op het pad, langs de sloot,
is het altijd lekker rustig. Dan kunnen jullie loslopen. Maar denk erom,
bij me blijven als we op straat komen en bij het winkelcentrum netjes
wachten.’ De honden kwispelden enthousiast met hun staarten. Ze mochten
met het vrouwtje mee! Elise reed het pad op naar de kinderboerderij. Het
pad liep helemaal om de boerderij heen en tussen de boerderij en het pad
was nog een sloot. Dan konden de dieren van de boerderij niet
ontsnappen. De honden liepen netjes naast haar fiets. Ineens blafte
Bruno. Bobbie spitste zijn oren en blafte ook. Ze hapten naar Elises'
voeten. ‘Hé, laat dat, ik kan nu niet spelen. Zo val ik met fiets en al
om.’ Elise wist dat de honden nooit zouden bijten. Het happen naar haar
benen was een spelletje, maar daar had ze nou geen tijd voor. Ze moest
die stomme melk halen. Bruno en Bobbie bleven doorhappen, ze sprongen
zelfs tegen de fiets. ‘Kijk uit nou!’ riep Elise, ‘ik heb geen tijd voor
spelletjes. Ophouden of ik breng jullie terug naar huis, hoor.’ De
honden luisterden niet. Bruno rende voor haar fiets uit en bleef midden
op het pad staan. Bobbie bleef naar haar benen happen. ‘Als je niet
weggaat rij ik over je heen, hoor Bruun,’ dreigde Elise. De hond bleef
staan. Elise sprong, vlak voor de hond, van haar fiets. ‘Jullie zijn
écht helemaal gek geworden,’ mopperde Elise. Ze begon Bruno opzij te
duwen, maar de hond bleef stokstijf staan. Bobbie nam de mouw van haar
jack in zijn bek en trok eraan. ‘OKé, oké, ik snap het, jullie willen me
iets laten zien, is dat het?’ Bruno en Bobbie blaften opgewonden en
renden het pad af naar de slootkant. Zuchtend liep Elise achter de
honden aan. Nou kom ik natuurlijk hartstikke laat thuis, dacht ze. Dan
is mama boos en is er ook geen tijd meer om nog naar Anubis te kijken.
Die stomme honden. Maar ze liep toch verder. Als de honden zo gek deden,
moest er een reden voor zijn. Bruno en Bobbie renden naar de sloot en
bleven daar staan blaffen. Ineens hoorde Elise iets, tussen het geblaf
van de honden door. Een schaap, dacht ze, er is een schaap in nood! Ze
begon te rennen. Oh, jeetje, het ligt in de sloot. En als-ie zo door
spartelt komt-ie steeds verder in de modder vast te zitten. Elise deed
snel haar schoenen en sokken uit en stapte in het water. ‘Kalm maar,
rustig nou,’ probeerde ze het schaap te sussen. Het was één van de
schapen van de kinderboerderij. Het arme beest was helemaal in paniek.
In plaats van zich door Elise te laten helpen, begon het schaap te
bokken en raakte nog verder in de sloot. Omdat zijn vacht door het water
steeds zwaarder werd, zakte het schaap steeds dieper weg. Hij kon zijn
kop bijna niet meer boven water houden. Nog even, en hij verdrinkt,
dacht Elise angstig terwijl ze het schaap probeerde op te tillen, zodat
zijn kop boven water bleef. ‘Jullie moeten Peter van de kinderboerderij
halen, jongens,’ riep ze naar de honden. ‘Ik krijg het schaap alleen
niet uit het water. En schiet een beetje op, anders zak ik ook nog weg,
samen met het schaap.’ Bruno en Bobbie renden weg. Na 100 meter stond
Bruno stil, draaide om en rende terug. Hij pakte een sok van Elise in
zijn bek en schoot toen weer achter Bobbie aan. ‘Slimme hond,’ mompelde
Elise. ‘Als Peter die sok ziet denkt hij dat er iets met mij gebeurd is
en dan komt hij natuurlijk meteen. Oh, balen, dacht ze toen. Ze hield
haar adem in van schrik. Het hek van de kinderboerderij is vast dicht,
dan kunnen de honden niet naar Peter toe. Hoe moet dat nou? Ik kan het
schaap niet zo lang meer boven water houden; hij is zo zwaar. De tranen
sprongen Elise in de ogen. Toch laat ik het schaap niet verdrinken,
dacht ze vastbesloten. Bruno en Bobbie blaften zo hard ze konden, maar
er kwam niemand naar het hek. Bruno probeerde over het hek te springen,
maar hij haalde het niet. Het hek was hoog, om te zorgen dat de dieren
niet weg zouden lopen. Weer begonnen ze te blaffen. Ze werden er schor
van.
Peter hoorde de honden niet blaffen, maar de varkens hoorden het wel!
‘Luister wat de honden roepen’ zei Boris Big. ‘Er is een schaap in de
sloot geraakt en Elise probeert het eruit te halen. Maar het lukt niet.
Het schaap is te zwaar. De honden willen Peter te waarschuwen maar het
hek zit dicht. Nou, dan moet ik er voor zorgen dat Peter naar de honden
toegaan.’ Boris liep naar het hek van de varkensstal en duwde zijn neus
onder het hek door. Het was een oud hek, een beetje verzakt en aan het
eind, waar de grendel zat, moest het een flink eind omhoog getrokken
worden. Anders kon de grendel niet in het gat dat in de muur geboord
was. Bij de muur zat dus een grote kier tussen het hek en de grond. Daar
duwde Boris zijn kop door. Hij zag Peter staan. Hij stond de konijnen te
voeren. Boris begon te wroeten. Het had die ochtend geregend dus de
grond was zacht. Hij wroette net zolang tot hij een flink gat had, diep
genoeg om onder het hek door te kunnen kruipen. Hij schaafde zijn vel,
maar was uit het hok! Luid knorrend rende Boris heen en weer. ‘Hé, Boris
hoe ben jij uit je hok gekomen,’ riep Peter. ‘Kom hier, je moet terug.’
Peter begon te rennen. Boris liet hem dichterbij komen en rende toen
weg, naar het hek. ‘k Wist niet dat varkens zo hard kunnen lopen,’
hijgde Peter. Ze waren nu dichtbij het hek en Bruno en Bobbie begonnen
meteen weer te blaffen. Ze sprongen ook omhoog, tegen het hek aan. ‘Zijn
alle dieren soms gek geworden?’ zei Peter. ‘Wat is er met die honden aan
de hand?’ Boris liet zich gewillig vangen. ‘Peter bracht Boris terug
naar de stal. Nu ga ik eerst even kijken waarom die honden zo tekeer
gaan, dacht hij. Hij liep terug naar het hek. De honden stonden nog
steeds hard te blaffen. Bruno pakte iets van de grond en liep naar het
hek. Vlakbij het hek liet hij vallen wat hij in zijn bek had en sprong
achteruit. ‘Da's een sok van Elise. Is er iets met haar aan de hand?’
Verschrikt keek Peter naar de honden. Die renden het pad al af. Zo snel
als hij kon rende Peter achter de honden aan. Regelrecht naar de sloot.
‘Waar bleef je nou, Peet,’ snikte Elise. ‘Ik kan het schaap niet meer
houden, ik zak ook weg in de modder. Hij is een paar keer onder water
gegaan, hij is vast dood. Maar ik kon hem niet tegenhouden, echt niet.
Ik ben helemaal stijf, het water is hartstikke koud.’ ‘Prima gedaan,
meid! Wees maar niet bang. Het schaap leeft nog, hoor, je hebt het echt
fantastisch gedaan.’ Peter was in het water gestapt. Met zijn éne hand
duwde hij Elise naar de kant en met zijn andere hand pakte hij het
schaap bij zijn nekvel. Toen Elise veilig uit het water was gekrabbeld,
trok Peter het schaap uit de modder. ‘Hoe ben jij hier gekomen, Elise?’
‘Op de fiets. Ik moest melk halen voor mama, maar Bruno en Bobbie duwden
me van mijn fiets en brachten me naar de sloot.’ Ze sloeg haar armen om
de honden heen. ‘Denk je dat je kunt fietsen?’ vroeg Peter. ‘Ja,’ knikte
Elise. ‘Fiets dan gauw naar huis terug en trek droge kleren aan.
Een uurtje later zat Peter bij Elise en haar moeder in de keuken. ‘Elise
is hartstikke dapper geweest mevrouw Timmermans’ zei Peter. Hij vertelde
van het schaap. Het zou zeker verdronken zijn als Elise hem niet gezien
had!
‘Nou Elise, dan is het maar goed, dat ik die melk vergeten was,’ lachte
Elise’s moeder. ‘De melk’ schrok Elise, ‘die heb ik niet’. ‘Dan leen ik
zo wel een pak van de buurvrouw’ lachte moeder. ‘Ga jij maar lekker op
de bank zitten en zet de Anubis-DVD op. Die boodschappen komen morgen
wel weer!’
- terug -
Jonas krijgt zwemles
‘Wat
jammer dat je niet mee bent gegaan naar zee, Jonas’ zei Elise. Ze zat op
het hek van de varkensstal. Boris zat op de grond en Jonas zat op de
rand van de voerbak.. ‘Ach,’ zei Jonas ‘ik hou’ helemaal niet van zout
water. En ook niet van zoet water. Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik
ben een beetje bang voor water. Ik heb nooit leren zwemmen.’ ‘Echt
niet?’ Vroeg Elise. ‘Wat jammer. Zwemmen is zo heerlijk! De zee was echt
leuk, hè, Boris? Af en toe waren er super hoge golven. Daar kan je
lekker inspringen.’ Boris knikte enthousiast. ‘Het was echt gaaf, Jonas’
zei hij. ‘Waarom leer je eigenlijk niet zwemmen? Misschien gaan we nog
wel een keer naar zee. Dan kan je mee gaan. Gezellig!’ ‘Mij niet gezien’
antwoordde Jonas. ‘Veel te nat, dat water. En veel te diep, die
zwembaden. Dat is helemaal niks voor mij.’
’s Avonds, toen ze lekker in haar bed lag, dacht Elise nog eens na over
Jonas. Boris had gelijk, dacht ze. Jonas moet leren zwemmen. Stel je
voor dat hij in het bosmeertje valt. Dan zou hij verdrinken. Dat zou
vreselijk zijn. Ik ga een manier bedenken om Jonas zwemmen te leren. De
volgende ochtend vroeg Elise aan haar moeder: ‘mama, waar is mijn
lampion?’ ‘In de kast in het rommelkamertje’ zei haar moeder. ‘Hoezo?’
‘Nou ik wil even kijken of hij nog heel is. Anders moet ik een andere
kopen, voor Koninginnedag.’ ‘Joh, dat is toch nog lang niet’ lachte haar
moeder. ‘Nou, ik ga toch even kijken’ zei Elise. Ze liep de trap op naar
boven en deed de deur van het rommelkamertje open. In de kast, op de
derde plank, zag ze haar lampion liggen. Ze pakte het stokje en lachte:
‘dit is een mooie hengel voor Jonas, precies groot genoeg!’ Elise liep
terug naar haar kamer. Ze pakte een stuk bubbeltjes plastic Het had om
de nieuwe waterkoker gezeten. Toen haar moeder het weg wilde gooien had
Elise gevraagd of zij het mocht hebben. De bubbeltjes knalden altijd zo
leuk, als je ze kapot drukte. Gelukkig zijn ze nog niet allemaal kapot,
dacht Elise. Nou kan ik er prima zwemvleugeltjes van maken. Voor Jonas!
‘Oei, koud’. Jonas had voorzichtig zijn voet in het water gestoken maar
hij trok hem snel weer terug. ‘Kom, kom’, bromde de Elise, ‘je bent toch
geen watje? Zo koud is het niet hoor. Vooruit, er in!’ Jij hebt
makkelijk praten, dacht Jonas, jij blijft lekker droog. Hij keek een
beetje bozig naar Elise. Maar hij zei niks. Hij verschoof de
zwemvleugeltjes om zijn armen een beetje en stak weer een voet in het
water. Hij stond op de rand van de drinkbak van de varkens. Elise had
hem de zwemvleugeltjes gegeven, die ze gemaakt had van het
bubbeltjesplastic. En ze had ook een riempje voor om zijn middel
gemaakt. Met een touwtje er aan. Dat touwtje had ze weer vastgemaakt aan
het stokje van de lampion. ‘Toe nou Jonas’ zei ze. ‘Er kan niks
gebeuren. Door je zwemvleugeltjes blijf je drijven. En je zit ook nog
eens vast aan de hengel. Ik zal je echt niet koppie-onder laten gaan.’
Langzaam liet Jonas zich van de rand af zakken. Elise had een stukje
kippengaas langs de rand gelegd. Dat kon Jonas als trap gebruiken. Koud
maar toch ook wel lekker, dacht Jonas. Hij ging nog een beetje verder.
Nu werd zijn buik nat. Hij trappelde met zijn voeten. Het water spatte
het water in zijn gezicht. ‘BRRRR!’ rilde hij. ‘Kom op, Jonas’ riep
Boris, ‘het is heerlijk water, helemaal niet koud’. Boris stond bij de
drinkbak en spatte met zijn voorpoot. Nou, vooruit dan maar, dacht
Jonas. Hij liet de rand los en spartelde. Gelukkig, hij voelde de bodem
van de drinkbak. Toch was het wel een beetje diep, het water kwam tot
zijn kin. ‘Als je je armen wijd doet en je benen omhoog trekt, blijf je
drijven. Probeer maar’. Boris moedigde Jonas aan. Voorzichtig trok
Jonas zijn benen op. Hè, ik drijf, dacht hij. ‘Dat voelt best lekker!’
Overmoedig begon hij met zijn benen te trappelen. Hij rolde voorover,
met zijn gezicht in het water. ‘Uche, uche, uche’, proestte hij, ‘ik heb
allemaal water ingeslikt’. ‘Moet je ook maar niet zo wild doen’ zei
Boris. ‘Als je langzaam trappelt met je benen, kukel je niet voorover’.
‘Oh’, knikte Jonas. ‘Let op’ zei Elise. ‘Dan doe ik voor wat je moet
doen.’ Ze deed de slag voor met haar armen. ‘En met je benen doe je
intrekken-wijd-sluit.’ Jonas probeerde het. ‘Ik voel me net een kikker’,
lachte hij. ‘Kwaak, kwaak, ik ben een grote groene kikker’ Hij ging op
de bodem van de drinkbak staan en sprong op en neer. Elise en Boris
moesten lachen. ‘Nou moet je proberen echt te zwemmen en vooruit te
komen, Jonas’ zei Elise. ‘Ik zal de hengel goed strak houden. Dan kan je
niet koppie-onder gaan.’ Langzaam bewoog Elise de hengel vooruit. Toen
hij bij het eind van de drinkbak was, ging Jonas staan. ‘Omdraaien, dan
gaan we de andere kant weer op,’ zei Elise. ‘Het gaat al hartstikke
goed. Als je nog even oefent kan je het zonder dat je aan de hengel vast
zit.’ Jonas draaide zich om en ging weer in het water liggen. Hij deed
de kikkerslag met zijn benen en maakte mooie slagen met zijn armen.
‘Eigenlijk is het best leuk!’ riep hij. ‘We blijven nog een paar dagen
oefenen en dan gaan we proberen of je ook zonder je vleugeltjes blijft
drijven’ zei Elise. Elke dag, na schooltijd, ging Elise naar de
varkensstal om te oefenen met Jonas. Na een week was Jonas helemaal niet
bang meer. ‘Nou Jonas, nou doen we je vleugeltjes af’ zei Elise. Je
blijft echt wel drijven en als je het niet vertrouwt, zet je je benen
maar op de grond. ‘Oei, toch wel eng’ zei Jonas met een bang stemmetje
toen hij zonder zijn vleugeltjes op de rand van de drinkbak zat. Boris
big kwam achter hem staan. ‘Niks aan de hand, Jonas’ zei Boris. ‘Je
zwemt als een vis, probeer het maar.’ ‘Jaaaaa, maaaaaar’ aarzelde Jonas,
‘vissen zwemmen onder water. Ik wil graag mijn hoofd boven water
houden.’ Boris was het zat. Hij gaf Jonas een duwtje met zijn snuit.
‘Hellup’ gilde Jonas. Plons! klonk het. Jonas ging koppie onder in de
drinkbak. ‘Nou ben je er meteen door heen’ grijnsde Boris. ‘Kom op,
zwemmen!’ Jonas trok voorzichtig één been op. ‘Je andere been ook,
sufferd’ zie Boris. Jonas trok zijn andere been ook op en begon te
zwemmen. Het ging niet snel maar hij kwam vooruit. ‘Ik kan zwemmen!’
riep hij, toen hij aan het eind van de drinkbak gekomen was. ‘Elise,
Boris, kijk dan! Ik kan zwemmen!’ ‘Het zal tijd worden’ bromde Boris.
Elise gaf Boris een por. ‘Niet plagen’ fluisterde ze.‘Vet gaaf, hoor
Jonas’ riep ze. ‘Je zwemt zelfs nog beter dan een vis.’ ‘Ik ga elke dag
oefenen’ zei Jonas. ‘Misschien mag ik over een tijdje dan wel een
keertje met je mee, naar het zwembad. Stiekem, in je tas.’ ‘Afgesproken’
lachte Elise. In de zomervakantie neem ik jou een keertje mee. Naar het
zwembad!
- terug -
Ziek
‘Elise,
kijk, dit is het nummer. Als er iets moet je meteen bellen en vragen
naar mevrouw Jansen, die werkt in de garderobe. Je kent haar wel, de
moeder van Jochem en Martijn. Zij zal ons dan wel waarschuwen’. Elise
knikte. ‘Ga nou maar, mam, er gebeurt heus niks. Ik ben trouwens toch al
bijna beter.’ ‘Nee, nee, jongedame, je bent nog helemaal niet beter. Je
hebt een longontsteking gehad. Je moet écht beloven dat je in je bed
blijft, hoor. Anders komt die akelige koorts misschien wel terug.’
Elise’s moeder keek naar haar man en vroeg: ‘Aart, zullen we toch maar
thuisblijven? Ik vind het een naar idee dat Elise alleen thuisblijft.’
Elise’s vader liep naar Elises' bed. ‘Sinaasappelsap, water,
kaneelbeschuitjes’ zei hij. ‘En dan ook nog een stapel boeken, de
telefoon op het nachtkastje en het nummer van de feestzaal ernaast. Ik
denk dat je je wel zult redden, hè, meid?’ Hij lachte naar Elise en zei
tegen zijn vrouw: ‘echt Hanneke, we kunnen rustig gaan. Per slot van
rekening zijn Leo en Annemarie maar één keer 12-en-een-half jaar
getrouwd.’ Elise knikte naar haar vader. ‘Geen probleem, pap. Gaan
jullie nou maar lekker feestvieren.’ ‘Goed,’ zei haar moeder, ‘dan ga ik
me snel verkleden.’ Even later kwamen vader en moeder gedag zeggen.
‘Niet te lang lezen en op tijd het licht uitdoen, Elise, en voorzichtig
zijn als je naar de wc moet, en ...’ ‘Kom nou maar, Hanneke, het gaat
heus wel goed,’ zei vader. Hij knipoogde naar Elise en duwde moeder
zachtjes de kamer uit. ‘Veel plezier en nemen jullie een stukje taart
voor me mee?’ Elise zwaaide en hoorde hoe haar vader en moeder de trap
af gingen. Ze keek uit het raam en even later zag ze hen in de auto
stappen. Ze zwaaide nog een keer, vanuit haar bed. Toen nam ze een
slokje sinaasappelsap en koos een boek uit de grote stapel die op haar
nachtkastje lag. Mama had vanmiddag nieuwe boeken voor haar gehaald, bij
de bibliotheek. Er was er één bij dat heel spannend leek. Daar ging ze
lekker in beginnen. Ineens hoorde ze de klok negen uur slaan. Oei, het
is al hartstikke laat, dacht ze. Nog even dit hoofdstuk uitlezen, dan ga
ik slapen. Maar voor ze verder las, keek ze naar buiten. 'k Wou dat ik
weer eens naar buiten kon, dacht ze. Ik lig al zo lang in m'n bed, al
bijna drie weken. Lezen is heerlijk hoor maar ik zou wel weer eens zelf
een avontuur willen beleven in plaats van er over te lezen. Het was al
donker maar in de tuin brandde een buitenlantaarn. Oh, sneeuw, dacht
Elise, ik zie een vlokje. En kijk, nog één. De eerste vlokjes vielen
voorzichtig maar al gauw begon het harder te sneeuwen. De tuin en het
dak van de schuur werden bedekt met een dikke, witte laag. Elise lag vol
bewondering voor die mooie, witte, wereld naar buiten te kijken. Met
Kerstmis was er ook sneeuw gevallen maar toen was het maar een klein
laagje en dat was al snel weer weg gedooid. Elise had er trouwens niet
van kunnen genieten want net voor Kerstmis had ze een longontsteking
gekregen. Ze was echt hartstikke ziek geweest met hoge koorts. Nu was
het al 10 januari en ze lag nog steeds in bed. Maar ze voelde zich wel
een heel stuk beter! Ik hoop dat deze sneeuw blijft liggen tot ik weer
beter ben, dacht ze. Want ziek zijn terwijl er een dik pak sneeuw lag,
dat leek haar vreselijk. Dan zou ze geen sleetje kunnen rijden en geen
sneeuwpoppen kunnen maken. Ingespannen tuurde ze naar de sneeuwvlokken,
alsof ze er zo voor kon zorgen dat ze allemaal bleven liggen en niet
wegsmolten. Hé, wat was dat? Elise ging op haar knieën in bed zitten en
drukte haar neus tegen de ruit. Ze zag Boris Big, met een sneeuwmuts op.
Een knalrode, met een groene pluim. En achter Boris liep Jonas. Hij was
helemaal wit maar hij had wel een blauw/geel gestreepte sjaal om. Boris
en Jonas liepen naar het midden van de tuin en zwaaiden naar Elise. ‘We
gaan een sneeuwpop voor je maken, Elise,’ riep Boris. ‘Een hele mooie,
omdat je ziek bent.’ Hij begon een grote bal te rollen. Bruno en Bobby
waren ook de tuin in gelopen. Stiekem gooide Boris een sneeuwbal naar
Jonas. Pats, midden op zijn buik. Jonas keek verbaasd op. ‘Wie deed
dat?’ vroeg hij dreigend, ‘jij soms Bruno?’ Jonas maakte vlug een
sneeuwbal en gooide die naar Bruno. ‘Raak,’ riep hij triomfantelijk.
‘Joh, die krijg je terug’ blafte Bruno. ‘Ik heb helemaal niet gegooid.’
Even later waren ze alle vier sneeuwballen aan het gooien. Ze sprongen
heen en probeerden de sneeuwballen van de anderen te ontwijken. In de
gladde sneeuw gleden ze steeds onderuit. Boris had zijn muts helemaal
scheef op zijn kop. Elise moest zo hard lachen, dat ze pijn in haar buik
kreeg. ‘Vooruit, jongens, nou weer verder bouwen aan de sneeuwpop,’ riep
Boris. ‘Anders krijgen we die niet af.’ Jonas en de honden gingen weer
aan het werk. Al gauw hadden ze drie mooie sneeuwballen: twee grote en
één iets kleinere. Ze stapelden de ballen op elkaar. Elise klapte in
haar handen. ‘Nou nog ogen, een mond, een neus en een hoed,’ riep ze van
achter het raam. ‘En een bezem natuurlijk.’ Het leek of Boris big haar
gehoord had. Hij praatte even met Jonas en de honden. Bruno en Bobby
renden weg maar kwamen al snel weer terug. Ze sleepten de slee met zich
mee en daarop lagen allemaal spullen. Elise zag de strooien hoed van
haar moeder en de bezem uit de schuur. Boris klom op de slee, nam iets
in zijn bek en ging heel voorzichtig op zijn achterpoten staan. Bruno en
Bobby hielden de slee vast zodat die niet weg kon glijden. Wat doet
Boris nou? dacht Elise. Ze wilde wel door het raam heen kruipen, zo
graag wilde ze alles zien. Eindelijk sprong Boris van de slee. ‘Oh,
prachtig,’ zei Elise, ‘nu heeft de sneeuwman een echt gezicht.’Boris had
ogen en een mond gemaakt van houtskool. Een grote winterpeen was de
neus. Op zijn hoofd had de sneeuwman de oude hoed en in zijn mond een
pijp. Boris zette ook de bezem nog neer, hij stak hem aan de zijkant een
beetje door de middelste sneeuwbal heen. Nu leek het net of de sneeuwman
de bezem onder zijn arm had. ‘Goh, goed hoor,’ zuchtte Elise, ‘nog
mooier dan de sneeuwman die papa en ik vorig jaar hebben gemaakt.’ Boris,
Jonas, Bruno en Bobby dansten om de sneeuwpop heen. Ineens bleven ze
stokstijf staan. Wat gebeurde er? De sneeuwpop schudde zijn hoofd! Toen
stapte hij voorzichtig naar voren en begon met de varkens mee te dansen.
Elise geloofde haar ogen niet. De sneeuwpop pakte het touw van de slee
en één voor één stapten Bruno, Bobby, Jonas en Boris op, voor een rondje
sleetje-rijden op het erf. Daarna maakte Boris Big samen met de
sneeuwman een lage glijbaan. Ze deden een wedstrijd: ‘wie het gekst kan
glijden.’Boris Big gleed op één been, Bruno gleed achterstevoren en
Bobby gleed op zijn buik. Toen kwam Jonas. Hij nam een lange aanloop,
gleed het eerste stuk op zijn buik en draaide zich toen om. Op zijn rug
gleed hij verder. ‘Jonas heeft gewonnen, Jonas heeft gewonnen,’ riepen
de honden. Elise was het ermee eens, Jonas had de moeilijkste kunst
gedaan. De sneeuwman gaf Jonas een prijs: een ketting van heel kleine
sneeuwbalkralen. Zo'n ketting zou ik ook wel willen hebben, dacht Elise.
De sneeuwman lachte naar haar en klom langs de regenpijp naar Elises'
slaapkamerraam. Hij hield een prachtige, lange sneeuwkralen-ketting voor
haar omhoog. Vlug deed Elise het raam op een klein kiertje open, pakte
de ketting en deed het raam weer dicht. Ze deed de ketting om. De kralen
voelden koud aan, echte sneeuw. Toch smolten ze niet, in de warme kamer.
Later die avond kwamen Elise’s vader en moeder thuis. ‘Tjongejonge’ zei
Elise’s vader, Is me dat een pak sneeuw, zo opeens. Blij toe dat we
thuis zijn, Hanneke. 't Was wel een heel gezellig feest, hè? Goeie band
ook, prima muziekje.’Vader neuriede een stukje uit een liedje. Moeder
knikte en gaapte, ‘sluit jij zo af, Aart?,’ zei ze ‘Ik ga nog even bij
Elise kijken.’ Even later liep moeder de slaapkamer binnen. ‘Ze slaapt
als een roos hoor, is onder het lezen in slaap gevallen. Haar boek was
op de grond gegleden en het licht was nog aan.’‘Ik zei toch dat het
allemaal goed zou gaan? Die meid redt zich wel!’ lachte haar man. ‘Vlug
maar, ik heb al gedouched. Nou jij nog en dan gaan we lekker slapen want
feest of geen feest, morgen moeten we weer vroeg op’.
‘Goeiemorgen, Elise, lekker geslapen?’ Elise gaapte, wreef in haar ogen
en knikte. ‘Was het een leuk feest, mam?’ vroeg ze. ‘Hebben jullie
gedanst en een heleboel lekkere dingen gegeten?’ ‘Alles prima in orde,
hoor meis. Het was heel erg gezellig! En je moet de groeten hebben van
mevrouw Jansen en van de buurman en de buurvrouw. Ze hopen dat je vlug
weer beter zult zijn. Is alles goed gegaan gisteren? Je bent zeker laat
gaan slapen, het licht was nog aan en je boek lag op de grond’. Elise
haalde diep adem. ‘Het begon te sneeuwen mama, en toen ...’ Ze keek uit
het raam, om haar moeder de sneeuwman aan te wijzen. Het hele erf was
prachtig wit maar er was geen sneeuwman. Hoe kan dat nou? Zou ik
gedroomd hebben? dacht ze. ‘Nou, wat gebeurde er toen?’ vroeg moeder.
‘Ik denk dat ik in slaap gevallen ben ... ik droomde dat de honden een
sneeuwpop maakten.’Elise zei het een beetje aarzelend en keek voor de
zekerheid nog een keer uit het raam. Nee, ze zag echt geen sneeuwpop,
raar hoor. ‘Da's een mooie droom, lieverd’ zei haar moeder. ‘Kom, eet
nou maar gauw dit beschuitje op. We kunnen vandaag en morgen wel eens
proberen of je een paar uurtjes je bed uit kunt. Misschien kun je eind
van de week wel eventjes naar buiten. Volgens het weerbericht blijft de
sneeuw nog even liggen. Dan kan je misschien zelf nog wel een sneeuwpop
maken. Lachend draaide moeder zich om. ‘Hè, wat ligt hier?’ Ze bukte
zich en raapte een touwtje op. Van de sneeuwkralenketting, dacht
Elise, zou ik dan toch niet gedroomd hebben?
- terug -
Schoolreisje
Hoe laat zou het zijn? Elise zat
rechtop in bed en pakte haar horloge, dat op haar nachtkastje lag. Oei,
pas vijf uur. Te vroeg om op te staan. Zuchtend ging ze weer liggen. Er
zat niks anders op. Ze moest proberen om nog een uurtje te slapen. Dat
was heel moeilijk. Ze kon maar aan één ding denken: het schoolreisje!
Gisteren had ze al bolletjes gekocht, bij de bakker. En kaas en worst,
om erop te doen. De bolletjes waren voor onderweg. De bus zou bij een
picnicplaats stoppen en daar mochten ze dan hun broodjes opeten. Mama
had ook nog lekkere mandarijnen en appels gekocht, daar mocht Elise er
ook een paar van meenemen. Elise probeerde met haar ogen de wijzers van
haar horloge sneller te laten gaan. Zo graag wilde ze dat het tijd werd
om op te staan. Ze gingen pas om negen uur weg. Zouden ze dan wel genoeg
tijd hebben om alles te doen en te zien? Eerst gingen ze naar een grote
speeltuin en daarna ook nog naar de dierentuin. Elise werd helemaal
zenuwachtig als ze er aan dacht. Ze zou échte leeuwen en tijgers zien
en ... dat vond ze nog het spannendst van alles, nijlpaarden! Elise had
in de bibliotheek een boek over nijlpaarden geleend. Ze vond het
prachtige beesten! Zouden ze in het echt ook zo'n grote bek hebben? Met
van die grote, gele tanden?
‘Wakker worden, meid, of wil je soms niet mee?’ Mama stond bij de deur
te roepen. Elise schrok wakker. Was ze toch weer in slaap gevallen! ‘Ik
kom al’, riep ze en sprong haar bed uit. Gauw wassen en aankleden en
naar beneden. Moeder had de tafel al gedekt. ‘Ik mag zelf mijn bolletjes
smeren, hè mam’, zei Elise. ‘Goed’ lachte haar moeder ‘maar gewoon
smeren, hè, niet metselen’.
‘Dag, da-haag!’ opgewonden wipte Elise op de busbank op en neer. Ze riep
en zwaaide naar haar moeder. Eindelijk, daar ging de bus. Alle kinderen
zwaaiden tot de bus de hoek omging.
‘Even luisteren allemaal’, riep juffrouw Jannie. Ik deel zo rode en gele
strikjes uit. Die moeten jullie op je jas spelden. Alle kinderen met een
geel strikje horen bij juffrouw Karin en alle kinderen met een rood
strikje horen bij mij. Elise en Debbie keken snel wat voor kleur strikje
ze hadden gekregen. Oei, dat was jammer: Debbie had een rood strikje en
Elise een geel. Ze zaten dus niet bij elkaar in de groep. Nou ja, ze
zouden elkaar toch nog genoeg zien. Alleen in de dierentuin moesten ze
echt in hun eigen groep blijven, de rest van de dag mochten de groepen
door elkaar lopen. Juffrouw Jannie legde nog uit dat ze zo dadelijk, in
de speeltuin, vrij mochten spelen, tot half twaalf. Dan zou de bus weer
vertrekken, naar de picnicplaats. Daar konden ze hun broodjes opeten. En
daarna gingen ze dan naar de dierentuin. Elise vond de speeltuin wel
leuk maar ze zou toch liever meteen naar de dierentuin gaan.
‘Kom op, jongens! De bus vertrekt zo’. Juffrouw Jannie stond op, veegde
de laatste broodkruimels van haar trui en zei: ‘Lege bekertjes,
papiertjes, schillen en zo, in de prullenbakken gooien en dan snel naar
de bus. Als de chauffeur lekker doorrijdt, zijn we over een half uurtje
in de dierentuin’. ‘Aan mij zal het niet liggen, hoor’, grinnikte de
chauffeur, ‘en de bus is spiksplinternieuw dus daar kan ook niks mis mee
gaan’. De kinderen renden naar de bus. Toen iedereen op zijn plaats zat
telde juffrouw Jannie de hoofden en daarna gingen ze op weg, naar de
dierentuin.
‘Kijk, die aap lijkt precies of Frans!’ Jenneke moest snel bukken want
Frans gooide een appelklokhuis naar haar toe. ‘Alleen kan die aap beter
mikken’, riep ze, toen het klokhuis langs haar heen vloog. Frans deed
net of hij boos was, maar moest toch ook wel lachen. Die gekke aap deed
hem precies na. Hij pakte een handvol bladeren en stond, net als Frans,
zorgvuldig te mikken voor hij gooide. Elise stond een beetje achteraf.
Ze vond de apen wel leuk maar kon toch niet echt van hun gekke sprongen
genieten. Ze dacht maar steeds aan het nijlpaard. Net waren ze in het
nijlpaardenhuis geweest. Ze hadden een hele tijd staan wachten maar er
was geen nijlpaard te zien. ‘Ze zitten onder water, jongens’, zei
juffrouw Jannie. ‘Dat kunnen ze een hele tijd volhouden. We kunnen maar
beter doorlopen naar de andere dieren. De nijlpaarden zullen we vast nog
wel eens zien, als we weer een keertje in de dierentuin zijn’. De
kinderen waren naar buiten gehold, de meeste wilden graag naar de apen
én naar de roofdieren. Maar daar zouden ze pas het laatst naartoe gaan,
als het voedertijd was. De andere groep, met juffrouw Karin, zou ook om
voedertijd naar de roofdieren gaan. Met z'n allen zouden ze dan naar het
voederen van de leeuwen en tijgers kijken en daarna moesten ze alweer
naar huis. Elise was met de anderen meegegaan, naar buiten. Maar ze keek
steeds verlangend achterom, naar het nijlpaardenhuis. Nu stonden ze dus
bij de apen. Elise vond ze heel grappig maar dat nijlpaard hè, dat ging
maar niet uit haar gedachten. Ik ga gewoon heel vlug even kijken, dacht
ze, misschien is het nijlpaard nu wel uit het water. Heel even maar.
Voor de groep verder gaat naar andere dieren, ben ik allang weer terug.
Stilletjes sloop ze weg, niemand zag haar gaan.
‘Oooh’, Elise slaakte een zucht van verbazing. Het nijlpaard was boven
water. Wat was-ie groot! Alsof-ie voelde dat Elise naar hem keek,
draaide het nijlpaard zich om. Hij schudde met zijn kop en deed toen
zijn bek wijd open. Elise keek recht in die hele grote bek met
ontzettend grote, gele tanden. Ineens bewoog het water: nog een
nijlpaard! Stil van bewondering leunde Elise over de balustrade, ze
vergat de groep én de tijd, zo mooi vond ze de nijlpaarden. Na een
tijdje klommen de nijlpaarden uit het water. Nu kon Elise ze helemaal
goed zien. Prachtig waren ze!
‘Dertien, veertien, vijf ...’. Juffrouw Jannie schrok. Ze had vijftien
kinderen in haar groep en nu telde ze er maar veertien. Snel telde ze
nog een keer: nog steeds veertien. Ze keek naar de kinderen en probeerde
te bedenken wie ze miste: Jenneke? Nee die was er, nog steeds in de
buurt van Frans. Die twee plaagden elkaar altijd maar ze zochten elkaar
toch steeds weer op. Lisanne zag ze ook, en Sandra en Roel. Wie was er
dan niet? Elise! schoot het door haar hoofd. Ik heb Elise eigenlijk al
een hele tijd niet gezien. Ongerust keek ze om zich heen. Het was al
half vijf en ze was met haar groep naar de kooien van de leeuwen gegaan.
In de verte kwam Karin, met haar groep, er ook aan. ‘Zoeken jullie maar
vast een goed plekje dichtbij het hek, jongens’, zei ze. ‘Ik loop even
naar juffrouw Karin’. ‘Karin’, zei ze ongerust. ‘Eén van de kinderen van
mijn groep is zoek: Elise. Ik heb net geteld maar ze is er niet’.
Juffrouw Jannie was bijna in tranen, ze bedacht allerlei vreselijke
dingen die met Elise gebeurd zouden kunnen zijn. Misschien was ze in de
greppel rond het zeehondenbassin gevallen, of was ze ergens gestruikeld
en had ze haar enkel gebroken zodat ze niet meer kon lopen. Dan had ze
misschien wel heel hard geroepen maar had niemand haar gehoord. Het arme
kind. Hoe meer juffrouw Jannie aan zulke dingen dacht, hoe ongeruster ze
werd. ‘Heb je goed gekeken, Jannie?’ vroeg Karin. ‘Ja, zeker weten, ik
heb twee keer geteld en toen bedacht wie ik miste. Toen ik goed nadacht,
besefte ik dat ik Elise al een hele tijd niet had gezien. Oh Karin, er
zal toch niks ergs met haar gebeurd zijn?’ ‘Nee, joh, die is ergens
blijven kijken en de groep kwijtgeraakt. In het ergste geval zit ze in
het portiershokje, aan het begin van de dierentuin’. Karin zei het
opgewekt maar diep in haar hart was ze ook ongerust. Als Elise ergens
gevonden was, hadden ze dat vast wel gehoord via de dierentuin-omroep.
Er waren allerlei boodschappen door de luidsprekers gekomen maar niks
over een klein meisje dat haar groep was kwijtgeraakt.
‘Juf, juf, ik denk dat ik weet waar Elise is’. Debbie had vlakbij Karin
en Jannie gestaan en gehoord wat ze zeiden. Nu trok ze juf Karin aan
haar jas. ‘Elise wilde heel graag de nijlpaarden zien. Ze had ook boeken
over nijlpaarden gehaald, in de bibliotheek. Ze is vast in het
nijlpaardenhuis’. ‘Daar zijn we geweest’, zei juffrouw Jannie peinzend.
‘Maar toen waren de nijlpaarden onder water. We zijn na een tijdje maar
doorgegaan naar de apen. De nijlpaarden hadden geen zin om boven water
te komen. Denk je echt dat ze daar is, Debbie?’ ‘t Is in ieder geval de
moeite van het kijken waard’, zei Karin. ‘Ren jij gauw terug naar het
nijlpaardenhuis. Ik blijf hier en pas ook op jouw groep. Ze zijn
allemaal zo vol van het voederen van de wilde dieren, ze zullen nu niet
weglopen’. Juffrouw Jannie had zich al omgedraaid. Ze keek op de
wegwijzers en nam de kortste weg naar het nijlpaardenhuis. Tot haar
grote opluchting zag ze Sopie meteen. Ze stond doodstil naar de
nijlpaarden te kijken. ‘Elise!’ riep ze. ‘We zijn doodongerust! Wat doe
je hier? Heb je hier de hele middag gestaan?’ Verbaasd keek Elise om.
Juffrouw Jannie, en zo te zien had ze hard gelopen. Ze had een heel rood
hoofd. ‘Ik ben even teruggelopen naar de nijlpaarden, juf’, zei Elise.
‘Ik vond de apen wel leuk maar ik wilde zo graag de nijlpaarden zien,
dus ik ben stiekem teruggegaan. Maar niet lang hoor, ik ga zo weer naar
de groep en dan ga ik mee kijken naar de andere dieren’. ‘Weet je wel
hoe laat het is Elise?’ vroeg de juf. ‘Je hebt hier de hele middag
gestaan!’ Verbaasd keek Elise op haar horloge. ‘Vijf uur, is het echt al
vijf uur? Maar ... ik ben hier toch maar even geweest? Alleen maar om
het nijlpaard te zien gapen. En toen ben ik nog even gebleven, want de
nijlpaarden gingen het water uit. De oppasser heeft een heleboel verteld
over de nijlpaarden. En zo komt hij weer terug want dan krijgen ze eten.
Kijk daar is-ie al.’ Enthousiast keek ze juffrouw Jannie aan. Die
schudde haar hoofd. ‘Je hebt hier echt de hele middag gestaan, meid. We
waren hartstikke ongerust. Maar ik begrijp dat je het niet expres hebt
gedaan. Kom maar gauw mee. Dan kun je nog heel even naar de leeuwen
kijken voor we weer in de bus moeten. Elise gaf de juffrouw een hand en
huppelde met haar mee. ‘Ze hebben ontzettend grote, gele tanden, juf. En
maar hele kleine oogjes, en grappige oortjes’, ze kletste maar door. Zo
mooi vond ze de nijlpaarden.
‘Oh, gelukkig, daar is het verloren schaap’. Karin keek Jannie vragend
aan. ‘Ze was inderdaad bij de nijlpaarden’ lachte Jannie. Bedankt voor
de tip, Debbie!’
Elise was meteen naar haar vriendin gerend. ‘Ze poepen heel veel, Deb’,
hoorden ze haar zeggen, ‘in hun eigen water, vies hè, maar het water
wordt wel heel vaak schoongemaakt, gelukkig’. Karin en Jannie keken
elkaar aan. ‘Weggelopen maar niet expres’, zei Jannie. ‘Ze is gewoon
echt helemaal in de ban van de nijlpaarden’.
Moe maar tevreden zaten alle kinderen later weer in de bus. Toen ze vlak
bij huis waren zeiden Karin en Jannie dat ze zich allemaal onder de
banken moesten verstoppen. Dan zouden hun vaders en moeders denken dat
ze in de dierentuin waren gebleven. Snel doken alle kinderen weg, ze
vonden het een prima idee om hun ouders te foppen!
‘Een lege bus, hoe kan dat nou?’ De vaders en moeders die op het
schoolplein stonden te wachten riepen verbaasd: ‘juffrouw Jannie,
juffrouw Karin, waar hebben jullie onze kinderen gelaten?’ Sommige
ouders begonnen zelfs te huilen. Dat was teveel voor de kinderen. Ze
sprongen overeind en renden de bus uit. ‘Grapje, grapje’, riepen ze, ‘we
zaten onder de bank’. Iedereen ging met zijn eigen ouders mee, maar
eerst bedankten ze de juffen én de chauffeur voor de fijne dag.
‘Nijlpaarden zijn écht heel erg
geweldig groot, hoor mam’. Elise vertelde enthousiast over haar
lievelingsdieren.
- terug -